Briefwisseling: International Film Festival Rotterdam

Fantômas ontvangt en stuurt briefpost vanuit de filmzaal en wandelgangen. Ditmaal een bericht van op IFFR over de afstand tussen individu en collectief, in een bioscoopstoel en daarbuiten.

13.02.2026 | Stefanie Gordin

Dag (eenzame) festivalganger,

Een filmfestival wordt graag opgevoerd als een collectieve ervaring. Volle zalen, samenvallende blikken, lichamen die zich synchroon door foyers bewegen. Maar die nabijheid produceert geen gemeenschap. Ze concentreert juist het alleen-zijn.

Terwijl ik in de vroege ochtend van Amsterdam naar Rotterdam de trein nam, scrolde ik door het IFFR-programma, meer dan zeshonderd films & talks, eindeloos naast elkaar geplaatst. Titels, stills, fragmenten van herinneringen en beloftes van verhalen. Te midden van die overvloed diende zich een gevoel van afstand aan. Filmfestivals functioneren als concentratiepunten van zichtbaarheid: films en makers moeten zich hier laten zien, laten horen, in gesprek raken, voordat ze weer verdwijnen in het programma. Die dynamiek produceert niet alleen ontmoeting, maar ook een vorm van structurele eenzaamheid – zeker voor films die geen vanzelfsprekende plaats opeisen, zoals kortfilms, die vaak vertoond worden zonder werkelijk besproken te worden.

Het was tijdens Sound of Falling (2025) van Mascha Schilinski dat dit gevoel zich scherper aftekende. Niet omdat de film eenzaamheid expliciet benoemt, maar omdat hij laat zien hoeveel generaties ons zijn voorgegaan en zullen volgen, die vergelijkbare emoties dragen: verdriet, verlangen, desoriëntatie. Gevoelens die binnen een samenleving ontstaan, of op een doodnormale plek, zoals een boerenhoeve, waar je misschien liever niet zou willen zijn. De film maakt voelbaar hoe seksualiteit, gender en alles wat daarmee verweven is, mee bepalen hoe we ons tot de wereld verhouden – tot onszelf en de ander. Hoe het lichaam reageert op omstandigheden die groter zijn dan het individu.

Die afstand zit echter niet alleen in wat er op het scherm verschijnt, maar ook in de ruimte die de films omringt. In de zalen overheerst een ouder, overwegend wit publiek – een constatering die ook werd benoemd door Michelle Carey en Lyse Nsengiyumva, beiden programmamakers van het International Film Festival Rotterdam. Die homogeniteit is niet neutraal. Ze bepaalt wie zich vanzelfsprekend voelt en wie voortdurend moet aftasten of er hier een plaats is. In die context wordt eenzaamheid geen innerlijke toestand, maar een ruimtelijke ervaring: het besef dat lichaam, leeftijd en blik niet samenvallen met die van de meerderheid in de zaal.

De vraag hoe een jonger en diverser publiek te bereiken, wordt vaak gesteld alsof het om marketing gaat, maar vermijdt de kern: niet experimentele cinema is ontoegankelijk, maar de institutionele omgeving waarin ze wordt gepresenteerd. Toegankelijkheid vraagt geen vereenvoudiging van films, maar een herverdeling van comfort. Een ruimte waarin niet alleen ervaren kijkers zich zeker mogen voelen, maar ook zij die nog zoeken, twijfelen of zich niet herkennen in het publiek dat hen omringt.

Politiek geladen films vullen de zalen moeiteloos. Palestine 36 (2025) maakte dat scherp zichtbaar: de zaal was volledig gevuld, maar de vraag drong zich op wiens ruimte hier werd ingenomen en door wie. In een festivalcontext die zich positioneert rond dialoog en inclusiviteit wordt de filmzaal een betwiste ruimte. Niet alleen van representatie, maar van aanwezigheid. Wie voelt zich gerechtigd om te spreken, om betekenis toe te eigenen? En wat zegt dat over de kijker wanneer betrokkenheid samenvalt met ontkenning? Die spanning werd tastbaar na afloop, toen iemand mij benaderde met de stelling dat er geen apartheid bestaat in Israël. In dat moment werd duidelijk dat collectief kijken geen gedeeld standpunt garandeert.

Na die confrontatie keerde ik terug naar de duisternis van de filmzaal, waar een andere vorm van collectiviteit zich aandiende: stiller, minder eenduidig, maar niet minder geladen. Hoofden bewegen nauwelijks, blikken gericht omhoog, zoekend, hopend, verlangend. In The History of the Sound (2025) duiken liederen uit het verleden op. Volksmuziek die emoties draagt en doorgeeft, van lichaam tot generatie. Achter mij hoor ik zacht gehuil. Mensen herkennen zich in bepaalde personages, wetende dat niemand naar hen kijkt. Ze zijn geen hoofdrolspeler, slechts toeschouwer, veilig in het donker — in hun eigen alleen-zijn.

The Grieved Soul

Come, my soul and let us try
For a little season
Ev’ry burden to lay by,
Come and let us reason.
What is this that casts thee down?
Who are those that grieve thee?
Speak and let the worst be known;
Speaking may relieve thee.

Wat zich in verschillende films op uiteenlopende manieren aandient, krijgt in de filmzaal zelf een bijna systematische vorm. Misschien is collectieve rouw in de filmzaal geen tegenbeeld van eenzaamheid, maar juist haar meest georganiseerde vorm. Het filmfestival creëert een ruimte waarin emoties gedeeld mogen worden, zolang ze zich houden aan het ritme van de voorstelling: begin, duur, einde. In het donker mag verdriet bestaan zonder uitleg, maar het mag ook weer verdwijnen zodra het licht aangaat. Cinema biedt nabijheid zonder verplichting, een gemeenschap zonder consequenties. Dat is geen tekortkoming, maar een specifieke kracht, en tegelijk een ongemakkelijke gedachte. Want wat blijft er over van die gedeelde emotie wanneer we de zaal verlaten en opnieuw individuen worden, teruggeworpen op onze eigen trajecten, gesprekken en bewegingen?

Wanneer het licht van de zaal weer aangaat, bevind ik me tussen mensen die ik niet ken. Voor een kort moment is er een blik, een scheve glimlach – genoeg om te erkennen wat er gedeeld werd, te weinig om vast te houden. Daarna keert de ongemakkelijkheid van onbekendheid terug.

Buiten steek ik mijn oortjes in. Het nummer ‘Stranger’ van Anna von Hausswolff. Wat blijft, is niet de melodie, maar één regel die zich vastzet: “Why is the stranger in sync with my heart?

Misschien is dat precies wat cinema hier achterlaat: geen gemeenschap, geen antwoord, maar een tijdelijke afstemming die verdwijnt zodra we weer uit elkaar bewegen.

Groet,

Stefanie Gordin