Zeggen dat Sandra Hüller in Rose haar mannetje staat, wijst er vooral op hoe talige regels ons over gender laten denken. Hoewel Rose de spielerei vermijdt die ook in dergelijke uitspraken schuilt, werkt het stugge vasthouden aan biologische uiterlijkheden finaal als een doorn in het oog.
Een soldaat met een litteken verschijnt tegen het einde van de Dertigjarige Oorlog in een klein dorpje om een claim te leggen op een stuk land met een hoeve. Niemand weet wie hij is, maar hij heeft het juiste document bij zich. De hoeve wordt hem toegekend. Hoewel ze aanvankelijk sceptisch zijn, sluiten de dorpsbewoners de vreemdeling in hun armen nadat hij tussenbeide komt in een berenaanval. Ze nemen hem op in hun gemeenschap.
Een gemeenschap, hier een zeventiende-eeuwse protestantse gemeenschap, komt tot stand door middel van regels en gebruiken. In dit geval zijn dat de regels van het protestantse geloof, maar vooral ook die van het boerenleven. Een gemeenschap bestaat uit huishoudens, aan het hoofd waarvan een man staat, die de beheerder is van zijn grond, gezin, personeel en vee.
Hier ontstaat een potentieel probleem voor de nieuwkomer: de soldaat, die schijnbaar mannelijk is, is geen man, maar een vrouw die zich de rechten van een man wil aanmeten. Dat lijkt niet bijzonder moeilijk te gaan. Een ordentelijke gemeenschap hangt aaneen van rechterlijke, kerkelijke en sociale rites die ervoor zorgen dat de juiste documenten en het juiste gedrag genoeg zijn om een mannelijke rol te spelen. Zolang ze kan doen wat ze moet doen als man, het juiste papier bezit, streeft naar winst en overschot op haar landgoed, is ze in wezen ook een man.“Ik deed een broek aan en alles werd gemakkelijker”, om Rose (Sandra Hüller), het titelpersonage, te parafraseren.
Maar een man heeft naast zijn uiterlijke verplichtingen ook zijn verplichtingen binnenshuis. De biologische ‘tekortkoming’ die Rose heeft, komt bovendrijven als een zeer reëel probleem binnen het boerenbedrijf. De huwelijksdaad is niet in de eerste plaats een bewijs van echtelijke liefde, maar een bezegeling van een contract, en een poging tot voortplanting (“Weet je wat ze doen met stieren die niet dekken?”). Het is een onmisbaar onderdeel van wat de gemeenschap uitmaakt. Een bezegeling waarvoor je dus moet beschikken over een penis, net als voor andere ‘mannelijke’ verplichtingen, zoals oorlogsverkrachtingen.
Het is ondertussen duidelijk dat Rose, geregisseerd door Markus Schleinzer, geen film is over vrolijke transformatie, of over het serieuze/ironische spel met maskers van het (gender)queer zijn, maar over de melancholie van geslachtsdelen. De hardheid van de winter, de strengheid van een storm; maar ook de twijfelachtige overwinning op de natuur, de landbouwgrond, het schieten van een beer, de rituelen van een dorp. Gender functioneert daarbinnen als een manier om in een systeem te passen.
De penis verschijnt hier als een instrument voor geweld. Zoals een boer zijn land bedwingt en bezwangert, zo moet hij ook zijn vrouw bedwingen en bezwangeren. Dat is de feitelijkheid in het hart van een patriarchale gemeenschap. En ook Rose kan er niet aan ontsnappen. Ze kan willen wat ze wil, maar ze is gebonden aan haar baarmoeder, ondanks het patriarchale geweld dat ze zelf het land en de vrouwen aandoet door middel van haar ondernemersgeest en haar ‘doorn’, een houten namaakpenis.
Die biologische sérieux is een netelige kwestie. Rose wil geen man zijn en lijkt volgens de film ook geen behoefte te hebben aan seks met vrouwen, maar wil enkel – nogal melig – haar eigen verhaal schrijven, vrij zijn met andere woorden. De ‘prachtige’ zwart-witbeelden, de fotografische ruis van het detail (graan, hout, bomen…), de ingetogen voice-over, de hypergevoelige en soms bijna interne geluidsband vormen een soort mist over de uiteindelijk best moeilijk te peilen boodschap die de film wil brengen. Tegenover de continue biologische onvermijdelijkheid van zwangerschap en verkrachting klinkt “God heeft ons niet geschapen, we schapen onszelf” als een wrange uitspraak. Het is oneerlijk dat iemand zich moet inpassen in een mannelijke rol om vrij te zijn, zoveel is zeker. Dat de gemeenschap Rose dwingt te bewijzen dat ze een penis heeft, is absoluut onrecht. Maar doordat de film de gemeenschap gelijkstelt aan het boerenleven, en het boerenleven aan het bedwingen van de natuur, waar Rose zonder probleem aan meewerkt, komen er vreemde dingen naar boven. Haar uiteindelijke verkrachting en onthoofding met een zwaard lijken in dat licht een soort poëtische straf voor onnatuurlijke hybris.
De film lijkt zich bewust van het valse akkoord, dat een som is van de voorbije delen, en probeert het op te lossen met een discours-ex-machina. Naar het einde toe heeft de voice-over het ineens over schrijven, woorden, jezelf creëren, je eigen verhaal… Rose schrijft haar verhaal “niet voor de toeschouwer, maar voor zichzelf”. Rose wil haar onthoofding ook ‘oefenen’, ze neemt deze keer haar rol helemaal zelf in handen, een zelfreflexieve strik over acteren die de film in de laatste minuten naar een metaniveau tilt.
Ik kan me voorstellen dat als je er lang genoeg over nadenkt, je de filosofische plooien wel kunt gladstrijken. Een film hoeft ook geen coherente boodschap te brengen. Uiteindelijk is wat de frictie veroorzaakt niet de incoherentie van de boodschap, maar de aanstoot die ik neem aan hoe nonchalant de film een extreem grimmige, misogyne werkelijkheid mengt met een zwaktebod over zelfdeterminatie. Het lijkt alsof Rose wel wil steunen op iets dat herkenbaar is als een feministisch narratief, maar niet de moeite wil doen om voorbij de uiterlijkheden te gaan. Alsof de film de bijna inherent feministische sfeer van zijn historische vertelling gebruikt als een afleiding voor de eigenlijk vrij beperkte diepgang van het karakterportret. In het continu aan de oppervlakte blijven ontbreekt er een ambiguïteit of net een radicale keuze die de film tot ‘iets’ had kunnen maken.
REGIE Markus Schleinzer
SCENARIO Markus Schleinzer & Alexander Brom
FOTOGRAFIE Gerald Kerkletz
MONTAGE Hansjörg Weißbrich
MUZIEK Tara Nome Doyle
MET Sandra Hüller, Caro Braun, Godehard Giese
PRODUCTIELAND Oostenrijk, Duitsland
JAARTAL 2026
LENGTE 94 minuten
DISTRIBUTIE Paradiso Films
RELEASE 9 september 2026 (België)
Het horrorgenre is niet gestorven aan zijn eerste gendertransgressie. Volbloed liefhebber Jane Schoenbrun gaat er na We’re All Going to the World’s Fair (2021) en I Saw the TV Glow (2024) graag opnieuw mee aan de slag. En laat daarbij vrijelijk lichaamssappen vloeien.
In Orlando, ma biographie politique vat Paul B. Preciado transformatie op als vloeibaar. Zoals ook deze fluïde verfilming van Virginia Woolfs Orlando voortdurend in wording is.
Naar jaarlijkse gewoonte publiceert Fantômas tijdens Film Fest Gent korte teksten en eerste indrukken over films die geen Belgische release krijgen. Mik Schelstraete rijgt Radu Jude’s gekheid op een stokje.
In Anatomie d’une chute ontleedt Justine Triet niet alleen een verdacht overlijden, maar bovenal het huwelijk. Wie houdt de score bij, in een relatie als een telraam? De vele verhalen zorgen alvast niet voor zekere antwoorden.
Joyland. Land van overspel en begeerte? Van neon en nacht? Van glitter en verleiding? Ja en nee. Saim Sadiqs langspeeldebuut gebruikt de naam van een pretpark in Lahore, Pakistan, vooral als wrange allegorie voor een samenleving waarvan de leden falen te ontsnappen aan de druk van traditie, familie-eer en geloof.