Fantômas ontvangt en stuurt briefpost vanuit de filmzaal en wandelgangen. Ditmaal een bericht van op de Viennale, ergens onderweg tussen kijken en herbekijken.
Wenen, oktober 2026
Lieve lezer,
Lees je mee? En stel je me dan in gedachten voor terwijl ik vanaf de metro naar het Gartenbaukino loop?
Al voordat ik Wenen bereikte, waren mijn mobiele data op (ik werd vorig jaar dertig, en daarbij hoorde, zo verkondigde mijn provider, een stopzetting van mijn ‘bundel gratis dubbele data’ – een gedwongen halvering van mijn schermtijd waar ik nog maar niet aan kan wennen), en dus heb ik de route uit mijn hoofd geleerd. Vanaf het appartement naar rechts, langs het Prater naar de metro. Twee trappen af. Dan volg ik de bordjes van U1, richting Oberlaa. Drie haltes, de laatste meegerekend. Oriëntatiepunten: de McDonald’s, de Staatsopera (’s avonds groen verlicht), de Apple Store. Als ik het park met zijn rits aan houten bankjes voorbij ben, ben ik te ver.
Na de film neem ik de metro naar Nestroyplatz om met mijn in Wenen geboren partner en twee Weense vrienden bij restaurant Gaia te gaan eten. Over een paar dagen hoef ik niet meer op te letten. Dan brengen mijn benen mij vanzelf. Nu prevel ik bij het instappen nog mijn ezelsbruggetje: Destroy earth.
Ik wou dat ik elke film twee keer kon zien voordat ik erover schrijf. Een wens die op een festival aan kracht wint, tijdens het kijken naar films die misschien niet door een distributeur worden opgepikt en wellicht in een lade of op een harddrive een stille dood zullen sterven. De eerste keer met een nieuwe film is alsof je in een vreemde stad bent gedropt en probeert de mensen en de straatborden te begrijpen. Het kijken van heel veel films helpt tegen dit gevoel, net zoals veel reizen ongetwijfeld helpt om je snel in een vreemde stad thuis te voelen. De bushalte zal wel hier zijn, want hier drommen de mensen samen. We moeten ons in de buurt van de kerk bevinden, want daar zijn meer winkelstraten. Dit is een fietsstrook, want de straatstenen zijn anders van kleur. (Soms verdwaal je toch: eens, op reis in Argentinië, op zoek naar een hostel, dacht mijn vriendin dat we het beste naar de groene rechthoek op de kaart konden lopen. Logies grenzen immers vaak aan het park. Eenmaal aangekomen bleek het de begraafplaats te zijn.)
Toch moet er een grens zijn aan het nut van herhaaldelijk kijken. In zijn satirische debuutroman Antkind schrijft Charlie Kaufman over een filmcriticus die elke film zeven keer bekijkt. Ondersteboven. Achterstevoren. En helemaal niet.
Het festival opende met een herkijken. Kelly Reichardts Rain, Set, Action, de officieuze ‘trailer’ van de Viennale, is een herhaling van een kort fragment uit The Mastermind. We krijgen drie outtakes te zien, die telkens iets langer duren. Mijn aandacht werd meteen gewekt, als een kat die opleeft als ze de sleutel in het slot hoort, maar zowat elke vertoning hier begint met de trailer, en dan verliest hij al snel zijn magie; ik let niet meer op, en de drie versies van de scène beginnen in elkaar over te lopen, hoezeer ik dat ook niet wil. Net als het hoofdpersonage van Kaufman sluit ik de zevende keer mijn ogen.
Het is een trucje dat ik vaak herhaal als ik over een film schrijf. Als ik probeer een beeld te herinneren, of de woorden te ontcijferen die ik in het donker in mijn notitieboekje heb geklad. Met gesloten ogen lijkt de film ineens heel dichtbij. Maar wat zie ik eigenlijk? En wat zie jij, lieve lezer, waar schrijf ik eigenlijk over?
Mijn vriendin verkondigde ooit dat het minder dringend is om correct over een film te schrijven dan over een boek. Je hoeft een citaat niet zo precies weer te geven. Een boek is een op zichzelf staande tekst, zei ze. Bij een film ben jij degene die de tekst schept.
Voor Hanabi (Fireflower) wilde Ana Vaz de memoires Journal of a Radioactive Brain van Yoko Hayasuke verfilmen. Zij weigert echter in de film te verschijnen. In de e-mail die we te zien krijgen, schrijft ze dat de filmmaker vrij is om in haar tekst te knippen en plakken, om zinnen toe te voegen alsof ze het boek zelf geschreven heeft. Maar Hayasuke heeft haar vertrouwen in de taal verloren; ze wil niet dat er ook maar iets van het Japanse origineel in de film terechtkomt.
Hoe kunnen we de dingen echt zien? Niet zoals we ze ons voorstellen, maar zoals ze werkelijk zijn? Met die vraag worstelt de hoofdpersoon, een actrice genaamd Bae Jeongsu, in Hong Sang-soo’s The Day She Returns. Ze spreekt erover in drie interviews met drie jonge journalisten. Die interviews gaan telkens over dezelfde onderwerpen: haar terugkeer op het witte doek, haar scheiding, haar uiterlijk, maar afhankelijk van de interviewer die tegenover haar zit, verschillen haar antwoorden lichtjes. Wie is Bae Jeongsu echt?
Het tweede gesprek, dat nog het minst op een interview lijkt, het gesprek dat ze afsluit met een omhelzing vanwege hun goede klik – dat is nou juist het interview dat ze terugtrekt. “Zoiets heb ik inderdaad over mijn ex-man gezegd,” zegt ze aan de telefoon, “maar kun je dat niet anders opschrijven?”
Vervolgens gaat ze naar haar acteerles, waar ze de opdracht krijgt een scène te schrijven over wat ze zojuist heeft meegemaakt. We zien hoe ze die scène opvoert: de interviews die ze net heeft gehad, samengesmolten tot één geheel. Woorden uit het derde interview raken verweven met die uit het eerste. Was zij het niet die de tweede interviewer een biertje aanbood? Nu is het de interviewer die dat voorstelt. In haar antwoorden is ze plots welbespraakt. Haar afgezaagd advies, om vooral van jezelf te houden, wordt uitgewerkt tot een heuse levensfilosofie.
Plotseling verstomt voor mij het geluid, verdwijnt de achtergrond als het ware, valt alles voor me weg. En dan zie ik haar heel duidelijk, zoals ze werkelijk is.
Insincerely, of met leugenachtige groet,
Roosje
Fantômas ontvangt en stuurt briefpost vanuit de filmzaal en wandelgangen. Ditmaal een bericht van op de Viennale.
Wat beweegt ons in film? Fantômas houdt de vinger aan de pols tijdens Film Fest Gent, met vandaag twee films van Hong Sang-soo: The Novelist’s Film en Walk Up.
Als Hong Sang-soo via zijn minimalistische films aan uitvergrote zelfanalyse doet, gebeurt dat via personages die zich met een fikse scheut alcohol en aanzienlijk minder scherpzinnigheid dan de cineast zelf overgeven aan zelfmythologisering.
De films van Hong Sang-soo laveren vaak tussen bedrieglijke eenvoud en meervoudig bedrog. Al is de kern steeds waarachtig. Zo ook in Nowhere to Lay My Eyes.
In Orlando, ma biographie politique vat Paul B. Preciado transformatie op als vloeibaar. Zoals ook deze fluïde verfilming van Virginia Woolfs Orlando voortdurend in wording is.