Is een cinefiel wel altijd cinefiel? Filmliefhebbers zijn vaak niet op hun mondje gevallen om een mening of twee over cinema te delen. Is een kritische houding echter niet meer dan een stortvloed straffe meningen? Of een vluchtroute richting zelfbevestiging…
Sinds een paar jaar zijn enkele van mijn goede vrienden terughoudend om met mij een cinemazaal te betreden. De laatste keer dat we ons samen aan de bioscoop waagden, kozen we een historisch Deens drama. De film wurmde zich samen met luid spektakel, een eenduidig acteerspel en een lijstje clichés door de plot. De aftiteling rolde af, de lampen in de zaal bloosden, de show was voorbij.
“En?”
“Ja, goed hé.”
“Vooral die villain vond ik goed gedaan. Een beetje zoals in Game of Thrones.”
Hun blikken richtten zich uiteindelijk ook op mij.
“Gij vond hem weer niet goed zeker?”
Enkele jaren later. Ik heb een Duitstalige film gezien in Gent. Een pareltje naar mijn mening. Een oude bekende die ik na de voorstelling tegen het lijf loop, deelt die opinie. Voor hem is het een verademing. Na een tijdje komt een recente blockbuster ter sprake, onmiddellijk gevolgd door een oordeel: “Ja, die is écht dom.” Dat het geen artistiek meesterwerk is, daar kan ik me in vinden. Dat hij een pak subtiliteit en nuance mist? Zeker. Maar gewoonweg dom? “Och ja”, antwoord ik voorzichtig, “hij was toch entertainend?” Misschien dat ik tegengas geef omdat zijn oordeel zo kortaf is. Of misschien… stond ik tegenover mezelf? De filmsnob!?
Inderdaad. Sinds ik op de zwarte lijst van cinefiele blaaskaken sta, is me al meermaals verweten dat ik te kieskeurig ben geworden in films. Dat wordt bevestigd wanneer ik geen zin heb om een kaartje te kopen voor het zoveelste melodrama met Anthony Hopkins als model voor de menselijkheid. Kijk, hier ga ik weer… Maar als ik even eerlijk ben met mezelf, dan weet ik dat het stijfkoppig verdedigen van de superioriteit van arthousecinema niet enkel verzandt in hermetisch snobisme, maar het debat rond de veelzijdigheid van cinema al snel achter slot en grendel zet.
Waarom die halsstarrigheid? Als het over films gaat — of eender wat eigenlijk — dan plagen mijn vrienden me dat ik het binnen het kwartier over Michael Haneke moet hebben. Zijn kritiek op de commerciële cinema vat nu eenmaal mooi samen waar het schoentje knelt. Met zijn Oostenrijkse tongval kaart hij vaak aan dat de mainstream filmindustrie de illusie creëert dat er pasklare antwoorden bestaan op de grote levensvragen. En als er geen antwoorden zijn, dan wel geruststellende plots. Als we een klassiek Hollywooddrama gezien hebben, komen we vaak ontroerd en toch enigszins opgelucht uit de bioscoopzaal. Het einde kent meestal een verzorgde ontknoping en we hebben de waarden van vriendschap, familie of liefde zien zegevieren. En als ze niet zegevieren, dan kunnen we tenminste de vinger wijzen naar de boosdoener die deze waarden heeft stukgeslagen. We hijsen ons zelden bezorgd uit ons zitje. We gaan naar huis en zijn blij dat het allemaal maar een droom was.
Kan een film in plaats van sterke antwoorden misschien netelige vragen opwerpen? De werken die me het meest bijblijven en die ik het liefst herbekijk zijn de films die zichzelf niet altijd prijsgeven. Ze formuleren iets dat ik zelf niet helemaal vat. Ze vragen inbreng en reflectie, en geven me soms zelfs een tik op de vingers.
Over die tik op de vingers gesproken. Met het bovenstaande allegaartje aan hersenspinsels trekt deze cinefiel naar het MOOOV-filmfestival in Brugge. Op het programma staat onder andere Divine Comedy (2025) van de Iraanse regisseur Ali Asgari. Ook hij behoort tot het clubje filmmakers die problemen met het Iraanse regime hebben ondervonden. De film zelf weerspiegelt die spanning via Bahram Ark, zowel in deze fictionalisering als in de realiteit eveneens een regisseur die tegen de Iraanse censuur aanloopt. Bahram mag zijn film niet vertonen, maar gaat toch koppig op zoek naar alternatieven. De queeste van de onafhankelijke filmregisseur! Bovendien prijst de website van MOOOV de film aan als een staaltje absurde komedie dat wat wegheeft van Roy Andersson. Allen daarheen dus! Maar wat ik dan nog niet weet, is dat de film stilletjes gaten zal schieten in mijn zogenaamd cinefiele opvattingen.
Het eerste shot toont het koppel Bahram en Sadaf op een scooter in Teheran. Hij is regisseur en zij de producent van zijn films. In dat beeld flirt Asgari onmiddellijk met wat intertekstuele knipoogjes naar de Vespa van Audrey Hepburn, Caro diario (1993) van Nanni Moretti of Hossein Sabzian op de brommer in Close-Up (1990). Ik ben al in m’n nopjes want de cinefiele toon is gezet, en dat vertaalt zich ook in de plot. Bahram wil immers koste wat kost zijn nieuwste film vertonen, hoewel het Iraanse regime niet zo happig is op zijn ernstige aanpak. Overigens ook niet op het blauwe haar van Sadaf. En waarom wekt hij sympathie op voor honden in zijn film? Volgens de Iraanse wet is het immers verboden om zo’n onrein beest in huis te hebben. Het roept allemaal te veel kritische vragen op. Bahrams tweelingbroer Bahman is daarentegen de vermaarde regisseur van een reeks komedies die zowel het regime als het brede publiek met open armen ontvangen. Waarom doet Bahram niet eens iets gelijkaardigs? Hij is echter duidelijk: “Eén shot van mij is meer waard dan een film van hem.”
Het lijkt makkelijk om me enigszins te identificeren met Bahram. Hij ergert zich aan de laagdrempeligheid waarmee sommige films worden gemaakt. Op zoek naar een lach en een traan mag het vooral niet te moeilijk worden. Doe gewoon eens wat leuks! Het moet toch niet altijd zo complex zijn? Als een heilige dwaas weigert hij toe te geven aan de druk van buitenaf en de oppervlakkige verwachtingen die daarmee gepaard gaan. Ik kan het hem ook niet helemaal kwalijk nemen. Als hij een zoveelste onderhandeling over een commerciële blockbuster afsluit met “Ik hou gewoon niet van dat soort films”, denk ik aan al de keren dat ik met dezelfde woorden de nieuwste kaskraker heb weggewuifd.
Bij Divine Comedy zou je al snel een (uit de context gerukt) citaat van Sartre kunnen opwerpen: “L’enfer, c’est les autres.” Het vagevuur waar Bahram zich in bevindt is echter niet enkel de censuur van het Iraanse regime of het smaakpatroon van zijn collega’s, maar ook zijn eigen koppigheid. Die hardnekkigheid wordt op de spits gedreven wanneer hij bij zijn succesvollere tweelingbroer een projector moet lenen. Het duurt niet lang voor de olifant in de kamer wordt benoemd. Bahman krijgt een stevige bolwassing voor zijn verraad aan de filmkunst. Hoe kan hij genoegen nemen met producties als ‘Fox of Valentine 2’ terwijl er een poster van Godard in zijn woonkamer hangt? Toch krijgt ook Bahram een paar rake steken terug. Sinds wanneer gedraagt hij zich als de Che Guevera van de filmbusiness? Alsof een commerciële film geen persoonlijke toets kan bevatten. Hij bekritiseert alles en iedereen, maar dat helpt niemand. En dan krijg ik die tik op de vingers: is de cinefiel wel altijd zo cinefiel?
Je zou denken dat een filmliefhebber in de eerste plaats films liefheeft. En toch blijken veel van die liefhebbers vooral poortwachter te spelen. Ook Bahram is in eerste instantie misschien een nobele ridder die strijdt tegen een versteend normenkader en hardnekkige censuur, maar hij wappert tegelijk zelf met een orthodoxe vinger naar alles wat niet in het kraam van zijn ernstige cinema past. Ook de zogenaamde cinefiel wijst af en maakt zijn opvatting tot de gouden standaard. En ik moet schoorvoetend toegeven dat ik ook al eens tirades op iemands lievelingsfilm heb losgelaten (dat kwam ik dan pas later te weten, maar goed, wie kiest er nu ook Titanic?). Het is net die betweterigheid die Divine Comedy impliciet op de korrel neemt.
Bahram ergert zich mateloos aan de entertainende komedies van zijn broer. Toch gaat Divine Comedy stiekem aansluiten bij die aanpak. Doorheen de film wordt er gekibbeld over de schermtijd van een hond, een bioscoopeigenaar lijkt meer geïnteresseerd in weed dan in cinema, en als Bahram en Sadaf ook nog eens cocaïne moeten regelen om een megalomane acteur te paaien, dan is het moeilijk om een glimlach te onderdrukken. Enerzijds stelt Asgari met Bahram oppervlakkige films aan de kaak, maar anderzijds geeft hij net dat wat Bahram de hele tijd verguist: wat humor hier en daar.
Dat wordt ook esthetisch kracht bijgezet via zorgvuldig gekadreerde longtakes waarin zich een sociale spanning ontvouwt. We kijken vanuit breedhoeklenzen naar frames waarin alle personages ruimte krijgen, ook de afstanden tussen hen in. Omdat die takes bovendien niet versneden zijn door montage, wringt iedere ongemakkelijke stilte zich het kader binnen. Het resultaat is een zowel gênant als hilarisch groepsgebeuren. Divine Comedy lijkt zo een stilistische parallel te trekken met regisseurs als Roy Andersson en Ruben Östlund. Maar het is niet enkel lachen, gieren, brullen, want tussen grap en spel zegt de zot zijn mening. Dat komisch spelletje is vaak een scherpe sneer naar ons eigen gedrag. Wanneer ik aan het gniffelen ben met Bahrams koppigheid, komt vervolgens het besef dat ik net mezelf heb uitgelachen.
Het is makkelijk om te proclameren dat je meer houdt van arthousecinema, maar wat is dat uiteindelijk, arthouse? En wanneer wordt die commercieel? Bahram valt komedies aan, maar wie zegt dat die niet artistiek of kritisch kunnen zijn? En daarbij, tragische ernst is ook niet altijd van de bovenste plank. Door je vast te bijten in tweedelingen eindig je al snel in een karikatuur van jezelf. De lijntjes zijn niet zo strak getrokken. Ik denk aan thrillers en komedies die me aan het denken gezet hebben. Ik herinner me spektakeldrama’s die toch een gevoelige snaar hebben kunnen raken. Tegelijk zijn er ook zogeheten indiefilms die me heel naïef en oppervlakkig leken. Het mozaïek dat cinema heet heeft meer nuances dan enkele labels.
Ik herinner me een citaat van Östlund dat op de kwestie inspeelt: “I want to break the arthouse tradition. I want to combine the best of American cinema with the European cinema in order to say, ‘Okay, come on, let’s go back to the cinema and enjoy it.’” Hoewel Östlund hier ook een stereotiepe tweedeling suggereert, benadrukt hij wel dat cinema met allerlei grenzen kan spelen. Misschien kan de filmsnob wat meer meespelen? In plaats van films telkens kritisch uit te hollen omdat ze niet aan de eisen voldoen, kunnen we proberen meedenken met een film? Tuurlijk, ik heb nog altijd een voorkeur voor een bepaald soort film, maar niet iedere film moet per se aan die standaard getoetst worden. Als ik me nog eens laat overtuigen om de nieuwste Christopher Nolan te zien (dat zal ze wel lukken), dan is het weinig productief om alle klassieke trucjes van Hollywood te gaan afkraken. Ik heb nu eenmaal voor zo’n miljoenenfilm gekozen. En als we eerlijk zijn, welke filmliefhebber zal zeggen dat daar niets te genieten valt?
Juist ja. Mijn eigen enthousiasme voor cinema is ook niet geboren in de Nouvelle Vague. Ik heb me lang vergaapt aan The Dark Knight of The Lord of the Rings voordat ik mijn blik wat verder richtte. Wanneer Bahram aan het kibbelen is met zijn tweelingbroer, moet hij ook toegeven The Matrix al dertig keer te hebben gezien. Toen ze amper tien jaar oud waren, was dit hun eerste kennismaking met film. Daar ontstond hun droom om regisseur te worden. Ondanks dat hun werk nu elk een andere kant is opgegaan, zijn beiden nog steeds in de ban van het bewegend beeld en wat dat kan teweegbrengen. Allemaal dankzij The Matrix. De tweelingbroers lijken elkaars tegengestelde, maar zijn eerder twee kanten van dezelfde munt. Terwijl deze gedachte door mijn hoofd speelt, toont de film een reeks jeugdfoto’s van hen. Het enige wat de klankband lost is een zachte wind. De broers staan altijd samen in het frame, de ene keer kijken ze ietwat arrogant, de andere keer zijn ze volledig in beslag genomen door de camera.
Zal ik nu geen uitgesproken mening meer hebben? Natuurlijk wel. En jij ook trouwens, beste lezer. Er is nog steeds een reden waarom ik de ene film prefereer boven de andere. De kieskeurigheid waar ik vaak op aangesproken wordt komt ook uit een oprechte bewondering voor het filmmedium en de talloze mogelijkheden die het biedt. Als ik weer eens met de scepter van kritiek zwaai, dan is dat niet omdat ik mijn eigen smaak in de kijker wil zetten, maar omdat veel films volgens mij te snel genoegen nemen met een behapbaar antwoord of een stilistisch cliché. Dat terwijl er zoveel verdomd goede films heerlijk in de diepte gaan. Die diepgang is ook te vinden buiten het zogenaamde arthouselabel. Er valt op meerdere plekken iets te rapen. Niet enkel de films moeten de hand eens in eigen boezem steken, de cinefiel ook. Dus spreek me maar tegen als ik nog eens iemands lievelingsfilm onderuithaal. Zolang het maar niet Titanic is.
Tijdens MOOOV Filmfestival in Brugge begeleidt Fantômas jonge critici in hun reflectie over film. In 2026 namen Annelies Bodiang, Axel Leplae, Donna Hollebeek, Fay De Maesschalck, Merel Ouwerkerk en Nikka Rombeau deel aan de workshop.
Tijdens het festival MOOOV verbleef een groep jonge filmliefhebbers in Brugge om deel te nemen aan de workshop filmkritiek van Fantômas. Beelden komen op hen af in de bioscoop en via hun telefoon. Welke beelden zijn van deze tijd?
Het programmaboekje; een kleurrijk kompas dat orde brengt in het chaotische landschap dat een filmfestival zoals MOOOV kan zijn. Wat zou het kwijt willen, mocht zo’n bundel papier ons kunnen toespreken?
Tijdens de Young Critics-workshop op het festival MOOOV in Brugge stellen de deelnemers zich niet alleen vragen bij wat het scherm hen presenteert, maar ook bij hoe zij op hun beurt de filmervaring kunnen presenteren. In soms schurende dialoog tussen film en schrijver, tussen projectie en realiteit, en tussen meer dan één kijkende ik.
Woorden, zinnen, gesprekken rollen over elkaar heen voor, tijdens en na de film. Wie spreekt waar waarover? Maar vooral: luister je?
Tijdens de workshop filmkritiek op het festival MOOOV in Brugge doen gretige kijkers uiteenlopende indrukken op. Sommige ervaringen op het scherm en buiten de filmzaal beginnen te rijmen, zoals in het visuele essay en zwaluwen zullen hun eieren leggen.