Tijdens de Young Critics-workshop op het festival MOOOV in Brugge stellen de deelnemers zich niet alleen vragen bij wat het scherm hen presenteert, maar ook bij hoe zij op hun beurt de filmervaring kunnen presenteren. In soms schurende dialoog tussen film en schrijver, tussen projectie en realiteit, en tussen meer dan één kijkende ik.
“Geef meisjes schoenen, maar geef ze geen paden.”
Er is iets mis met het geluid. Dat is het eerste wat me opvalt in de ondertussen vertrouwd geworden Rode zaal. Na acht films en kortfilms ken ik de volgorde en tekst van de sponsorspotjes voor elke vertoning namelijk uit mijn hoofd. Het is dan ook extra opmerkelijk wanneer deze spotjes de primaire geluidslaag missen. Enkel de muziek en wat gedempte bassen van achtergrondgeluiden zijn hoorbaar. Deze zaal is in de afgelopen dagen mijn favoriet geworden. Er zijn veel ruime stoelen, dus de kans dat ik mijn voeten (schoenloos!) op de leuning voor me kan leggen is groot. We zitten met drie Young Critics klaar voor de Iraanse documentaire Cutting Through Rocks (2025). De vrouw die deze film net heeft ingeleid geeft geen kik bij het ontbreken van stemmen in de reclame. Ik besluit er zelf dus ook van uit te gaan dat dit een irrelevant foutje is.
Reductie zet aan tot een radicale herwaardering van de ruimte. Het bioscoopbezoek, normaal gesproken een soort ritueel van herhaling en comfort, kantelt op het moment dat vertrouwde klanken verstommen. Wanneer enkel omgevingsgeruis overblijft, verliest de commerciële boodschap haar dwingende karakter en blijft enkel een relatief abstracte ‘schil’ over. Het voorval doet denken aan een fenomeen dat ondertussen al zit vastgeroest in de filmtheoretische canon: kan de soberheid van het niet-horen of het niet-gebeuren net voor méér betekenis zorgen? Het ‘minder’ geeft een klankbord voor zelfreflectie van de kijker. Het doet denken aan de ‘mythische’ onderlagen waar filmkritiek vaak naar op zoek gaat; een queeste naar een niveau van waarneming dat voorbij de expliciete dialoog ligt. Wat op dat moment afwezig was, benadrukt de kwetsbaarheid van het moment én de tactiele kwaliteit van resterende geluiden. Zo ontstaat het vraagstuk of deze technische hapering ons niet dichter bij de essentie van filmbeleving brengt dan een perfect afgestelde soundtrack ooit zou kunnen. Is het mogelijk dat we pas echt gaan luisteren wanneer geluid als bron tot een minimum wordt beperkt?
De lichten dimmen en mijn medebioscoopgangers verdwijnen. Nu zijn het alleen gemeenteraadslid Sara Shahverdi en ik. Wanneer Cutting Through Rocks begint, ben ik niet helemaal zeker of de storing wel echt is opgelost. Ik hoor wat gedempt gerommel op het moment dat Sara een ijzeren tuinhek in elkaar probeert te zetten. Ook de beelden van haar motorrit bij zonsondergang die erop volgen blijven muisstil. Dit komt binnen; de scènes werken heel goed (misschien zelfs beter) zonder overdonderende auditieve begeleiding! Later gaat ze langs bij familieleden en zodra het gesprek begint, is het niet te ontkennen dat het geluidsprobleem nog aanwezig is: we zien ondertitels maar horen geen stemmen. Spijtig, denk ik. De film wordt gepauzeerd en na een dikke minuut roept een ontzettend oplettende toeschouwer: “Ons beeld staat vast!” (Ja, Jef, ze zijn er al mee bezig.)
De frictie tussen een mechanisch defect en een soort ‘artistieke openbaring’ (dankzij het ‘minder’ of het afwezige) incarneert de fragiliteit van de filmische ervaring. Wanneer een nuchtere opmerking uit de zaal de esthetische stilte doorbreekt, vervalt de vermeende diepgang van het ontbrekende geluid onmiddellijk tot een banale storing. Die confrontatie moedigt aan tot heroverweging van de stelling dat ‘minder’ automatisch tot ‘meer’ betekenis leidt. De geluidloosheid wankelt hier op een dunne lijn: dient ze als krachtig narratief instrument dat ruimte schept voor wat onuitgesproken blijft of is ze slechts een vacuüm dat de communicatie belemmert? Ook ontstaat zo het enigma dat de fascinatie voor deze onbedoelde leegte een vorm van intellectuele romantiek is. De werkelijke kracht van de filmervaring huist in een bedremmeld besef dat ‘betekenis’ altijd een breekbare constructie blijft tussen techniek, narratieve terughoudendheid en de subjectieve verbeelding van wie aanschouwt.
De film wordt heropgestart en we krijgen de drie scènes ditmaal met het nodige gepuf, gerammel, motorgeronk en de dialoog. Sara en de mensen die haar missie naar meer vrouwelijke autonomie in Iran steunen, maken me gelukkig en geven hoop. De glimlach op mijn gezicht verslapt gedurende het eerste halfuur niet. Tot er zinnen binnensijpelen die alsmaar minder ironie in zich dragen: “Als ik mijn eigendomspapieren deel met mijn vrouw, ben ik bang dat ze een muur in het midden van ons huis zal bouwen, dus nee: doe ik niet.” De druppel die de emmer doet overlopen en m’n frons mijn glimlach permanent doet overmeesteren, is: “Geef meisjes schoenen, maar geef ze geen paden.”
Het feministische hart begint te bloeden zodra mannen het als een vanzelfsprekendheid beschouwen dat meisjes geen stem hebben. Het ‘minder’ in filmische termen maakt plaats voor een maatschappelijk zwijgen. Dit zwijgen positioneert zich vaak in een verstikkend, patriarchaal discours, waarvoor het een onvermijdelijke en opgelegde conditie is. De aanvankelijke hoop op vrouwelijke autonomie stuit op de muren van een retoriek die in de eerste plaats bewegingsvrijheid belooft (de ‘schoenen’), maar de weg daarnaartoe resoluut blokkeert. Het begrip ‘reductie’ kentert van esthetisch experiment naar een politiek ínstrument van onderdrukking. Het wegvallen van de vrouwelijke stem in het publieke en private debat in Iran (en op veel andere plekken) is een structurele uitsluiting, diepgeworteld in de sociale orde. Het is – helaas – geen technisch mankement dat met een paar knoppen kan worden hersteld. Dient documentaire (en cinema in het algemeen) hier als werkelijk bevrijdend medium of blijft het bij een inerte registratie van voortdurende uitsluiting?
Ik ben boos. Die drie woorden glijden cyclisch, repetitief door mijn hoofd. Het kleine ontredderde wereldverbeteraartje komt in me naar boven en weigert koppig te wijken. Sara lijkt deze boosheid niet in de weg te laten zitten. Ze blijft incasseren en ondanks alles zwijgzaam van zich af bijten. Het dreigt een eindeloze processie van Echternach te worden. Wanneer ze een paar tienermeisjes meeneemt voor een motorrit – want, ja, vrouwen kunnen ook motorrijden – worden ze door een aantal mannen achtervolgd. Een daarvan blijkt de oom van het oudste meisje te zijn. Hij slaat haar in het gezicht. Opnieuw en opnieuw. Iets in me breekt. Eigenlijk lijkt het alsof meerdere ‘ietsen’ in me compleet versplinteren. Intussen vecht Sara terug op een manier die door merg en been snijdt. Ze blijft op afstand, raakt de man niet aan en herhaalt streng, nuchter, maar indringend: “Blijf van haar af!” Ze gebruikt haar stem en verlaagt zich niet tot zijn fysieke ‘luidruchtigheid’.
Bestaat het risico dat de filmkijker de esthetiek van de afstand die Sara behoudt consumeert zonder de werkelijke wreedheid van haar machteloosheid volledig toe te laten? Deze onzekerheid spiegelt zich in de politieke dimensie van het niet-zeggen, waarbij de afwijzing van Sara om fysiek terug te slaan juist géén teken van onvermogen vormt. Zij past bewust een vrouwelijke variant van verzet toe tegenover een dominante taal. De kritische focus verschuift daarbij naar de manier waarop patriarchale macht diepgeworteld zit in taal en symboliek. Juist de afwijzing om die taal van de onderdrukker over te nemen, geeft het vrouwelijke verzet werkelijke kracht en robuustheid.
Het lukt me om aan het langste eind te trekken in de strijd tegen mijn eigen onproductieve boosheid. Ik ben hier namelijk als filmcriticus. Alles wat ik zie, mag ik op mijn manier waarderen en begrijpen, maar moet ik ook koste wat kost nuchter kunnen inzetten voor een gegronde analyse of onderbouwd argument. Ik vraag me alleen af wat deze tussenkomst van de objectieve ‘ik’ betekent voor mijn filmbeleving: wanneer ik mezelf enkele seconden tot minuten heel expliciet moet terugroepen of ‘verzamelen’ heeft dit een impact op hoe ik kijk.
Critici bevinden zich in een paradoxale positie: door te analyseren, verbreken ze onvermijdelijk de onbevangenheid van het aanschouwen. Ze hanteren vaak een deconstruerende blik die de filmische magie reduceert tot technisch systeem, symboliek, politieke intentionaliteit, etc. Is het bedrijven van filmkritiek niet per definitie een vorm van intellectuele desillusie? Door het zwijgen van een personage als Sara direct te categoriseren als ‘vrouwelijke variant van verzet’ of ‘narratieve ascese’, onttrekken we scènes aan de rauwe, affectieve kern en verplaatsen we deze naar een klinisch discours. De kritische blik gaat de immersie van het kijken enigszins tegen. Zo bezien is de duiding van de criticus de ultieme verstoring: een onomkeerbare ingreep die de fragiele constructie van de filmervaring definitief blootlegt als product en montage van menselijk handelen.
Het wordt moeilijker en moeilijker om mezelf te verdelen tussen de rol van filmcriticus en die van een vrouw die zonder enige intentie (naast entertainment) een cinema bezoekt.
De twee vloeien steeds meer in elkaar over en laten niet los. Ik ben nu een verdrietig en boos meisje dat een kritisch essay probeert te schrijven met woorden die zelfs Ilja Leonard Pfeijffer hoogdravend zou vinden. Mijn intellect dient als een onvrijwillig archief vol semiotiek en filmtheorie, terwijl ik in mijn onderbuik enkel steken gewaarword die de rust van de bioscoopzaal genadeloos verstoren.
Terwijl ik de film probeer te analyseren als een politiek statement, voel ik de herhaaldelijke klappen die het meisje krijgt fysiek binnenkomen. De kritische afstand waarnaar ik streef verdwijnt. Hoe kan ik pretenderen distantie te bewaren wanneer de fenomenologische essentie van wat zich voor me afspeelt niets meer is dan een openliggende wonde in de sociale orde die zich hardnekkig weigert te laten hechten door een nuchtere analyse?
Ik verdwaal in een doolhof van epistemologische frictie waar de stilte niet langer een artistiek privilege kan zijn. Ze wordt een machtsstructuur die de vrouw haar autonomie ontneemt; een stilte die bovendien geen storing is die we met een paar knoppen in de projectiecabine kunnen herstellen. Terwijl mijn voeten rusten op de leuning van de lege zetel voor me, verstrikt mijn ratio in de symboliek van de schoenen die sommige meisjes weliswaar gegund worden, maar die nooit een pad onder zich zullen voelen dat niet door een dominante, mannelijke hand is geëgaliseerd of net bruut is weggevaagd. In mijn hoofd storten de muren van de Iraanse huizen in tot een puinhoop van intellectuele romantiek. Ik ben een hermeneutische paradox geworden: een kind dat in de donkere bioscoop sméékt om een geluid dat niet gewoon een haperende server vervangt, maar een eeuwenoud, structureel zwijgen doorbreekt, terwijl ik tegelijkertijd mijn woede wanhopig verpak in barokke volzinnen die zweven boven de banale realiteit van de zaal.
Het crescendo van mijn onmacht zwelt aan tot een onleesbare koortsdroom waarin Sara’s afkeuring van fysiek terugslaan transformeert in een transcendente vorm van verzet, een kracht die mijn pretentieuze adjectieven degradeert tot betekenisloos geruis in de achtergrond van een wereld die ons de weg ontzegt, waardoor ik uiteindelijk niets anders overhoud dan een versplinterde identiteit in een te grote rode stoel, wachtend op een betekenis die altijd een breekbare constructie zal blijven tussen techniek, interpretatie en de terughoudendheid van het eigen kapotte geweten…………………………..………………………………………………………………………
Maar dus,
Als ze ons echt geen paden willen geven, leggen we ze zelf wel.
Een filmfestival vol kwetsbare verhalen herinnert eraan dat cinema eigenlijk eerder een noodzakelijke getuigenis is en niet enkel een puur visueel te consumeren goed op zichzelf. Hoewel de hier beschreven ervaring focust op de positie van de vrouw, resoneerde datzelfde verzet in de vele andere scenario’s van onderdrukte groepen die de revue passeerden op het MOOOV Film Festival. De gemene deler is de collectieve afwijzing om nog langer te wachten op een vooraf uitgestippelde route. We kijken niet meer passief toe en zien hoe autonomie groeit buiten de gebaande paden van dominante machtsstructuren. Dwars door de stilte en het ‘minder’ heen eisen we onze eigen ruimte op en laten ons niet definiëren aan de hand van opgelegde hulp- en machteloosheid.
Sterker nog, misschien hebben we niet eens paden nodig.
Tijdens MOOOV Filmfestival in Brugge begeleidt Fantômas jonge critici in hun reflectie over film. In 2026 namen Annelies Bodiang, Axel Leplae, Donna Hollebeek, Fay De Maesschalck, Merel Ouwerkerk en Nikka Rombeau deel aan de workshop.
Tijdens het festival MOOOV verbleef een groep jonge filmliefhebbers in Brugge om deel te nemen aan de workshop filmkritiek van Fantômas. Beelden komen op hen af in de bioscoop en via hun telefoon. Welke beelden zijn van deze tijd?
Het programmaboekje; een kleurrijk kompas dat orde brengt in het chaotische landschap dat een filmfestival zoals MOOOV kan zijn. Wat zou het kwijt willen, mocht zo’n bundel papier ons kunnen toespreken?
Tijdens de workshop filmkritiek op het festival MOOOV in Brugge doen gretige kijkers uiteenlopende indrukken op. Sommige ervaringen op het scherm en buiten de filmzaal beginnen te rijmen, zoals in het visuele essay en zwaluwen zullen hun eieren leggen.
Is een cinefiel wel altijd cinefiel? Filmliefhebbers zijn vaak niet op hun mondje gevallen om een mening of twee over cinema te delen. Is een kritische houding echter niet meer dan een stortvloed straffe meningen? Of een vluchtroute richting zelfbevestiging…
Woorden, zinnen, gesprekken rollen over elkaar heen voor, tijdens en na de film. Wie spreekt waar waarover? Maar vooral: luister je?