Grootstedelijk moreel sprookje

Jacques Audiard wordt vaak geassocieerd met harde drama’s in een mannelijk universum, terwijl vrouwelijkheid een cruciaal ingrediënt is van zijn dromerige kronieken. Getuige Les Olympiades, een gestileerd zwart-wit sprookje dat de ‘female gaze’ introduceert in botsende portretten van jongvolwassenen die behoren tot de tindergeneratie.

03.11.2021 | Ivo De Kock

Vreemd toch hoe tijdens het bekijken van een film – zoals het hoort, samen met een groep onbekenden in een donkere zaal – onze gedachten plots naar een andere film uit een ander tijdperk kunnen gaan zonder dat we wegdrijven uit het universum waarin de filmmaker ons onderdompelt. Zo voerde het hippe Les Olympiades van bijna-zeventiger Jacques Audiard ons naar oude favorieten als Les nuits de la pleine lune (1984) en Ma nuit chez Maud (1969), morele sprookjes waarin de Franse meester Éric Rohmer peilt naar liefde, relaties en moraliteit. Via een woordenvloed die verborgen gevoelens blootlegt. Het verbale pingpongspel loopt in digitale tijden (ook) via andere communicatie tools, maar Rohmerfan Audiard geeft aan dat het amoureuze discours even complex en ambigu blijft. Daarom voelt Les Olympiades eigentijds en tijdloos, modern en ouderwets, aan.

Audiard is een ervaren en bekroond regisseur, maar op zijn lauweren rusten is er niet bij. Hij blijft van register wisselen en nieuwe paden bewandelen. Zo werkte hij voor Les Olympiades samen met jonge filmmakers als Céline Sciamma (Portrait de la jeune fille en feu) en Léa Mysius (Ava) om na zijn nostalgische westernsprookje met kinderlijke cowboys The Sisters Brothers (2018) een rauwere, urgentere grootstedelijke fabel te maken over young professionals van de tindergeneratie. Met een man en drie vrouwen – Camille (Makita Samba), Émilie (Lucie Zhang), Nora (Noémie Meriant) en Amber (Jehnny Beth) – die op hun pad elkaar en zowel seks, vriendschap als liefde vinden. Plus een pak verwarrende emoties. Intimistische millennialcinema opgehangen aan grootstedelijke blues en vrouwenportretten.

Dat feminiene aspect benadrukt Audiard graag. Het is geen toeval dat hij bijzonder ontstemd was toen tijdens het filmfestival van Deauville in 2018 een journalist vroeg wanneer de regisseur van “machofilms zoals Dheepan en The Sisters Brothers” eindelijk vrouwen zou opnemen in zijn films. “Dat was nogal debiel wanneer je mijn oeuvre kent”, zei Audiard ons toen we hem even later voor De Filmkrant interviewden in Gent. “Dheepan is overigens totaal fout geïnterpreteerd, misschien wel door de titel en de affiche. Het is een film die evenveel over de man als over de vrouw gaat. Al mijn films gaan over vrouwen. Zelfs wanneer ze niet in beeld zijn, wordt er over hen gepraat en is hun invloed merkbaar. The Sisters Brothers is eigenlijk een kinderverhaal, de twee broers zijn twee jongetjes die jagen op schatten en cowboy spelen. Hun gesprekken zijn sinds hun twaalfde niet veranderd. De vraag is: wanneer worden ze volwassen? Wanneer stappen ze van masturbatie over op de seksuele daad?”

De jongvolwassenen van Les Olympiades ruimen deze seksuele barrière meteen op, seks op de eerste avond (van een ontmoeting) is geen taboe. Samen de nacht in hetzelfde bed doorbrengen wel. Want daar waar seksualiteit en plezier weinig problematisch zijn, leidt het spel van verlangen en verleiden wel tot het verscheuren van elkaar. De pijn die dat veroorzaakt wijst op andere noden, diepere banden dan de vluchtige avonturen die professor Camille bij voorkeur consumeert. Callcentrummedewerkster Émilie en studente/immoagente Nora fladderen rond tot (de via PC’s en mobiele telefoons in beeld tredende) camgirl Amber fungeert als spiegel en hen rechtstreeks en onrechtstreeks aanzet om het bestaan in eigen handen te nemen. Ook al kunnen de jonge vrouwen amper definiëren wat ze zoeken en blijft de communicatie moeizaam verlopen. Audiard verstrengelt de levens van deze jonge zoekers op ingenieuze wijze via een drieluik van afzonderlijke verhalen die aan het slot netjes samenkomen, om te eindigen bij krachtige vrouwen en een door hen gestuurde blik. Wanneer Amber Sweet zichzelf echt blootgeeft en door de spiegel stapt.

Voor zijn levendige dialogen deed Audiard een beroep op coscenaristen Sciamma en Mysius, maar narratief haalde hij de mosterd bij de Amerikaanse graphicnovelauteur Adrian Tomine, een moralist die zijn stuurloos lijkende personages volgens Audiard (in het persdossier) “op het einde van zijn verhalen iets laat leren over het leven en zichzelf”. Audiard nam het zwart-wit van Tomine over, maar ruilde New York in voor Parijs. Niet het toeristische Parijs, maar – zoals de alternatieve filmtitel Les Olympiades, Paris 13e aangeeft – dat van het dertiende district met zijn (naar voormalige Olympische steden genoemde) flatgebouwen en geometrische patronen. De biotoop van jonge professionelen met migratieachtergrond. Audiard raakt daarbij actuele thema’s (arbeidsdruk, woningnood, sociale media) aan, terwijl hij de anonieme omgeving gedomineerd door strakke lijnen toch vooral gebruikt om een droomachtig kader te creëren.

Audiard filmde in kleur en creëerde achteraf tijdens de color grading het zwart-wit. Op een kleurflits na, het moment waarop porno in het amoureuze sprookje dringt, is het stijlvol zwart-wit niet uitgekiend om een documentaire look op te leveren, maar om een door de muziek van Rone versterkte licht onwerkelijke sfeer op te roepen. Dat werkt, op hallucinante wijze zelfs in de (drugs)trip in de regen van een joggende Émilie en wervelend bij een onwezenlijke kusscène. Samen met zijn DoP Paul Guilhaume slaagt Audiard er ook in om de verlangens, fantasieën en dromen van het centrale viertal te vertalen in evenveel verschillende visuele werelden. Met dank aan cameragebruik en belichting. Knipogend naar een hedendaagse, vaak via beeldschermen verlopende, communicatie.

Er schuilt veel eenzaamheid, vervreemding en ontgoocheling in de als een (olympische) hindernissenrace lopende levens van de vier verloren zielen op zoek naar verbinding en liefde. Dat grijpt Jacques Audiard evenwel niet aan om zich te verschuilen achter cynisme, satire of hautaine kritiek. Les Olympiades is immers geen genadeloze afrekening, maar een liefdevol portret van een generatie. Een sterk visuele ‘praatfilm’ verwant met Rohmers ‘contes moraux’ en doordrongen van de behoefte aan een female gaze. Gedragen door spitante acteurs die zich door hun regisseur gekoesterd weten en van dit droomachtige bluessprookje een bruisende, speelse ballade maken. La ballade des gens (enfin) heureux.

 

REGIE Jacques Audiard
SCENARIO Céline Sciamma, Léa Mysius & Jacques Audiard naar Adrian Tomine
FOTOGRAFIE Paul Guilhaume
MONTAGE Juliette Welfling
MUZIEK Rone
MET Luci Zhang, Makita Samba, Noémie Meriant
PRODUCTIELAND Frankrijk
LENGTE 106’
DISTRIBUTIE Cinéart
RELEASE 27 oktober (België), 6 januari (Nederland)

gerelateerde artikelen
 

Een zachte beer, een truffelvarken en een westers zwijn

Pig is veel meer een film over mannen en de manier waarop ze met liefde en verlies omgaan dan een film over afwezige zwijnen (wat in dit geval misschien wel hetzelfde betekent).

Zwijgen en zingen!

De musical Annette van Leos Carax doet schrijver Michaël Van Remoortere verwijlen bij het gevaar van fictie in haar langdurige pas de deux met de realiteit.

 
 

Het huwelijk, gefacelift

Bijna vijftig jaar na Ingmar Bergmans iconische Scenes from a Marriage (1973) waagt regisseur-scenarist Hagai Levi zich aan een hedendaagse, Amerikaanse remake. Vraag blijft of Levi ook iets nieuws weet te vertellen over de ontwrichting van een getrouwd koppel anno 2021, hier met verve vertolkt door Jessica Chastain en Oscar Isaac.

Mijn kleine wereld, mijn grote heelal

In Laura Wandels debuut Un monde krijgt de afkorting PTSD een alternatieve betekenis. Door te visualiseren hoe de jonge Nora de chaos en pesterijen op de speelplaats ervaart, evoceert ze een instant gevoel van ‘Playtime Stress Disorder’.

 
 

Overdruk in klare lijnen

Vrijelijk gemodelleerd naar het weekblad The New Yorker bezoekt The French Dispatch, de tiende film van Wes Anderson, een redactie Amerikaanse expatjournalisten in het Franse dorpje Ennui-sur-Blasé. Schampere satire en vrolijke luchtigheid vormen de onderstroom voor wat inmiddels bekendstaat als de esthetische signatuur van Anderson, een neurotisch formalisme gekleurd door dwangmatige nostalgie.