Monsters en heiligen

In een genre – bodyhorror – waarin metaforiek de personages weleens alle leven ontneemt, wist Julia Ducournau tot nu haar ‘monsters’ steeds een eigen karakter te geven. Vindt ook Alpha menselijkheid in monstruositeit?

24.09.2025 | Michaël Van Remoortere

Veillons donc à être plus sages. Renonçons aux excès, au piètre libre arbitre. Pardon pour le bareback, qui nous coûta si cher. Pardon pour mes ardeurs. Pardon pour ma colère. Pardon pour ma jeunesse. Fermons-les, les backrooms gais, les saunas gais, les clubs échangistes. Puisque ce qui, ce n’est pas la maladie, le risque d’attraper la vérole. Ce qui choque, c’est la sexualité qui dépasse les bornes de la vie privée. Sortir de la maison. La sexualité qui ne peut pas être contrôlée par les voisins. Fermons tout ça.

Guillaume Dustan – Premier essai

Zonder Sontag en de hele santenboetiek er weer bij te willen halen, kunnen we het er vermoedelijk wel over eens zijn dat het moraliseren van ziekte en in het bijzonder de zieke van alle tijden is. De misdaden van Oedipus tegen ‘de natuur’ waren de oorzaak van de pest. Syfilis was iets wat je enkel van hoeren kon krijgen. En in de context van hiv is het belangrijk om onderscheid te maken tussen zij die er echt niet aan konden doen en bijvoorbeeld besmet werden door een bloedtransfusie, en de anderen; de schuldigen die het gewaagd hebben de grote zonde te begaan genot te wringen uit hun eigen en andermans geslachtsdelen of substanties, waarvan de meester toch duidelijk had gezegd dat het niet mocht, en dus “eigen schuld, dikke bult”. Gezonde mensen worden haast vanzelfsprekend als moreel beter beschouwd dan de zieken en tussen de zieken dienen de schapen alsnog van de bokken gescheiden te worden.

Het is met een vrij recent pandemietje in het achterhoofd dat veel kunstenaars zich opnieuw lijken te buigen over een veelal vergeten virologisch hoofdstuk dat enkele decennia eerder begon en alleen afgesloten lijkt wanneer je bereid bent heelder continenten te negeren. Ik heb het natuurlijk over de aidscrisis. Door de coronacrisis kwamen met terugwerkende kracht heel wat morele en ideologische symptomen van dit virus in een nog scherper licht te staan en werden enkele verschillen haast tot in het absurde gespiegeld; niet het minst het feit dat men eertijds diende te vechten voor zelfs maar het begin van wetenschappelijk onderzoek naar een vaccin, terwijl velen veertig jaar later de noodzaak voelden te vechten tegen het vrijwillig nemen van een vroegtijdig vaccin dat deels een resultaat was van eerder vernoemd onderzoek. Nu het niet vooral sociaal gemarginaliseerden waren die aan het virus leken te bezwijken, werden de morele rollen van martelaren en geweldenaars althans in de perceptie van velen welhaast vanzelfsprekend omgekeerd. De eerste keer als tragedie, de tweede keer als klucht. Met dien verstande dat het kluchtige zich net in het nodeloze van de herhaling ophoudt.

In deze context begreep ik Alpha, de derde bioscoopfilm van Julia Ducournau, over een mysterieus virus dat de ronde doet in het Frankrijk van de jaren tachtig, zoals verbeeld door iemand die dit decennium niet zelf heeft meegemaakt. Het kleurenpalet heeft iets afgebleekts, alsof de wereld van het dertienjarige meisje Alpha (Mélissa Boros) gedempt werd; alsof de verhaallijn die we volgen zich in een vacuüm afspeelt. Een tragedie teruggebracht tot kammerspiel en ik weet niet eens of ik dat negatief bedoel. In ieder geval volgen we dus Alpha ongeveer gedurende de incubatieperiode van het virus waarmee ze zich mogelijk heeft laten besmetten via een tattoo uit een naald van bedenkelijk allooi. Gezien haar hoge staat van intoxicatie is het overigens bedenkelijk dat ze voldoende bij bewustzijn was om daadwerkelijk voor deze tatoeage van de letter A — een verwijzing zowel naar haar naam als naar de scharlaken letter van Hawthorne — te kiezen. Dat het virus zich ook via andersoortige kanalen verspreidt, wordt duidelijk wanneer een van Alpha’s klasgenoten haar ten onrechte verwijt hem besmet te hebben door een kus(?). Wat hem er niet van weerhoudt later in de film een poging te ondernemen haar zonder condoom te… kussen.

De demonisering van het jonge, vrouwelijke lichaam stond tot nu toe centraal in alle films die Ducournau gemaakt heeft. Van de kortfilm Junior, waarin een jongensachtige belhamel letterlijk vervelt tot een meer gangbare schoonheid, over de televisiefilm Mange, waarin de strijd tussen twee vrouwen die elkaar nog van de middelbare school kennen middels een gedeelde eetstoornis gestreden wordt, tot de twee bioscoopfilms Grave en Titane waarmee ze meteen internationaal doorbrak. Het onderhoudende van deze films is de gusto waarmee de regisseur geniet van de bloederige calvarietochten van haar hoofdpersonages, zelfs wanneer die er zelf het plezier niet van kunnen inzien. De close-ups van wonden en lichaamsvochten vertellen een ander verhaal dan de acteurs en de dialogen. Alsof de regisseur zegt dat ze heel goed weet dat er vaak geen ontkomen is aan de verhalen die men over onze lichamen vertelt, maar wat als we ons nu eens net in die projecties zouden wentelen?

Wat overigens niet betekent dat Ducournau van haar personages enkel slachtoffers van een systeem maakt. Ze gunt hen vaker dan we gewoon zijn in bodyhorrorprenten karaktereigenschappen die verder gaan dan het damsel in distress-discours en laat hen terugslaan zonder ze daarom zelf verantwoordelijk voor hun ondergang te maken. Tot nu dan. Omwille van de thematiek die de film hoopt aan te raken, lopen in Alpha voor het eerst slachtoffers rond die heiliger dan heilig lijken te zijn. Allereerst speelt seks geen rol van belang in de machinaties van deze pestparabel. Alpha wordt buiten haar wil om getatoeëerd en ook haar oom Amin (Tahar Rahim) is ‘slechts’ een kuise heroïnegebruiker en dan nog een van de vriendelijke, aaibare soort. Dat we hem vooral te zien krijgen door de ogen van diens zus, Alpha’s moeder (Golshifteh Farahani), is wellicht een excuus voor de idealisering van zijn personage, maar niet voor de verveling die er het gevolg van is.

Al ontbreekt het de film niet aan drama. Klagen dat een Franse film hysterisch aandoet, is zoals vinden dat de muziek van Mozart te veel noten telt. De alteraties tussen de leden van deze (heilige?) ersatzfamilie beginnen en eindigen vaak in geroep met daartussen, voor de goede verstaander, nog meer geroep. Ook de paniekaanvallen die Alpha teisteren dragen bij aan een sfeertje dat, eerder dan aan bijvoorbeeld het geroep van Pialat, doet denken aan de meest zelfgenoegzame momenten van Xavier Dolan. (Denk aan de muziekkeuzes in The Death & Life of John F. Donovan. Of aan die titel alleen al.) Het doet allemaal wat antiseptisch aan, much ado seemingly about nothing, omdat het gekrakeel van de familie en de virologische dreiging elkaar nooit lijken te raken. Al is de moeder (voor de derde keer in evenveel films) werkzaam als dokter en komt ze dus wel degelijk in aanraking met de getroffenen van het virus.

Ondertussen blijkt een virus als metafoor voor een virus nauwelijks die naam nog waardig. De metafoor is letterlijk geworden en dus doodgebloed. Visueel heeft Ducournau echter wel geprobeerd een overdrachtelijke beeldtaal te vinden voor de fysieke symptomen die het virus veroorzaakt. In plaats van voor bloed, etter, vlees en motorolie koos ze ditmaal voor het verstenen van de lichamen. Het virus breekt de huid niet open, duwt het binnenste — het geheime — niet naar de oppervlakte, maar maakt wat kwetsbaar is tot een marmeren beeld. En het is in dat beeld, dit stollen van zieke lichamen tot marmeren beelden, dat de mislukking van Alpha als film duidelijk wordt. Dat zij de noodzaak leek te voelen van de slachtoffers van een virus heiligen te maken en ervoor terugdeinst ook hen tot monsters te maken, voelt als een uitvlucht, een lapmiddel (waarvoor het zelfstandig naamwoord ‘palliatief’ blijkbaar een synoniem is). Alpha durft zijn slachtoffers niet dezelfde monstruositeit te gunnen als de vrouwen uit Grave en Titane en ontneemt ze zo hun menselijkheid.

Wanneer het meisje Alpha in de wachtkamer van het hospitaal waar haar moeder werkt, haar leerkracht zit binnenkomen aan de arm van een man die zelfs Michelangelo niet meer uit het marmer gebeiteld zou krijgen en de leerkracht ervoor terugdeinst zijn geliefde nog maar de kuiste der kussen te geven, wendt het ‘beeld’ zich tot haar en vertelt hij dat ze hem vroeger had moeten zien, want dat hij, eerlijk waar, een heel mooie man was. Waarop Alpha veelbetekenend antwoordt dat de man nu ook nog altijd heel mooi is. En hoewel het mijn diepste overtuiging is dat in elke tragedie die naam waardig ook altijd schoonheid te vinden valt — zij het van de meest gruwelijke soort — zo weet ik even goed dat schoonheid alleen niet volstaat om te blijven boeien.

REGIE Julia Ducournau
SCENARIO Julia Ducournau
FOTOGRAFIE Ruben Impens
MONTAGE Jean-Christophe Bouzy
MUZIEK Jim Williams
MET Mélissa Boros, Tahar Rahim, Golshifteh Farahani
PRODUCTIELAND Frankrijk, België
JAARTAL 2025
LENGTE 128 min.
DISTRIBUTIE O’Brother
RELEASE 3 september (België), 25 september (Nederland)

gerelateerde artikelen
 

Halfslachtige horror

Rouw neemt vele vormen aan, stelde Nicolas Roeg in een terugblik op zijn film Don’t Look Now (1973). In Valdimar Jóhannssons Lamb neemt rouw de vorm aan van een merkwaardig lammetje. Godsgeschenk of duivelsgebroed, het biedt een tweede kans aan een kinderloos koppel in een onuitgesproken relatiecrisis.

Porno choque

De camera verandert alles, gelooft de pornoproducent uit horrorfilm X. Met zijn kleine crew trekt hij in 1979 naar de afgelegen boerderij van een bejaard koppel om er in het geniep en goedkoop een film te draaien. Hadden ze The Texas Chain Saw Massacre gezien, wisten ze vast beter… Zolang de camera loopt, is het ‘maar’ een film, toch?

 
 

Dode metaforen

Als een topzware, omgekeerd in elkaar gestoken architectuurfilm zonder fundamenten kan The Brutalist van Brady Corbet onmogelijk overeind blijven. En dan moet de wankele beeldspraak nog komen…

Echografie van een leven

In samenwerking met Film Fest Gent publiceren we in de reeks ‘Wide Angle’ reflecties bij filmvertoningen. Met All the Beauty and the Bloodshed willen Nan Goldin en Laura Poitras de weerklank opvangen van stemmen die er niet meer zijn.

 
 

Voor een nieuw verlangen

Ter gelegenheid van het bezoek van Laura Mulvey in Brussel stelt het Antwerpse collectief Ursula een leesgroep samen. Ursula meets Laura meets Chantal.