Na Ainda estou aqui van Walter Salles vorig jaar richt nu O agente secreto van Kleber Mendonça Filho de blik op het Braziliaanse dictatuursregime van de jaren zestig tot tachtig. Welk beeld beheerst echter de herinnering?
“Fictiefilms zijn de beste documentaires”, zegt de Braziliaanse regisseur Kleber Mendonça Filho zelf in de voice-over van zijn experimentele documentaire Retratos fantasmas (2023). Als provocatie kan het idee tellen dat doen alsof niet altijd een realiteitstekort impliceert, maar net ook een waarheidsgetrouw exces aan realiteit kan evoceren. Naar eigen zeggen inspireerde Retratos fantasmas, dat de rol van cinema in zijn persoonlijke leven en in zijn geboortestad Recife onderzoekt, Mendonça Filho om O agente secreto (2025) te maken. Deze ironisch als politiethriller getitelde film speelt zich eveneens af in Recife en maakt daar een duik naar de Braziliaanse militaire dictatuur in het jaar 1977. Van meet af aan spaart de film kosten noch moeite om dit verleden minutieus tot leven te brengen. Alleen blijft het de vraag welke keuzes de representatie van dit verleden meer kleuren dan de okerkleurige filter waardoor het geheel haast nostalgisch lijkt te verlangen naar een tijd van politieke barbarij.
In zijn kanariegele Volkswagen Kever rijdt Marcelo (Wagner Moura) langs suikerrietvelden in de noordoostelijke staat Pernambuco naar Recife, waar op dat moment het jaarlijkse carnaval plaatsvindt. Bij zijn aankomst bij de 77-jarige, pittige oude dame Sebastiana (een glansrol van Tânia Maria) blijkt echter al snel dat deze periode voor Marcelo er niet een is van ongeremde zorgeloosheid. Hij neemt zijn intrek in een safe house dat Sebestiana hem ter beschikking stelt en krijgt een simpele job als ambtenaar toegewezen om zijn anonimiteit te garanderen. Slechts geleidelijk aan doet de film uit de doeken waarom Marcelo voortvluchtig is. Alle dekmantels zijn er hoe dan ook voor bedoeld dat Marcelo zijn zoontje Fernando kan zien, die door zijn grootouders langs moederszijde wordt opgevoed. Samen met Fernando wil Marcelo uiteindelijk naar het buitenland vluchten. Via twee mysterieuze vertrouwenspersonen komt Marcelo echter te weten dat twee huurmoordenaars hem proberen te vinden, en dat hij op een overheidslijst staat waardoor hij het land niet kan verlaten. De weldoeners beloven valse paspoorten voor Marcelo en Fernando, maar de dagen gaan traag voorbij en verschillende netten van corruptie beginnen zich rond Marcelo te spannen.
In zekere zin fixeert Mendonça Filho in O agente secreto zijn personages in vaste rollen die ofwel goed ofwel slecht zijn, waarna ze enkel nog vanuit die morele positie kunnen functioneren en als pionnen tegenover elkaar worden uitgespeeld. De bestelling van Marcelo’s dood komt niet van de staat zelf, maar is een persoonlijke vendetta van de steenrijke zakenman en politicus Ghirotti (Luciano Chirolli). In een recent verleden werkte Marcelo als ingenieur en universiteitsonderzoeker aan enkele innovatieve energieprojecten, en op een van die innovaties had hij een patent genomen. Dat zou voor Ghirotti echter enkele lucratieve deals met een Canadees bedrijf dwarsbomen, waardoor Ghirotti vanuit zijn overheidspositie doodleuk het onderzoek van Marcelo en zijn collega’s financieel en politiek komt lamleggen. De militaire dictatuur en grote bedrijven waren in die tijd veelal twee handen op één buik, en in hun gezamenlijke visie was het belangrijk om de Braziliaanse economie open te stellen voor het buitenland. Tijdens een explosief diner van Ghirotti en zijn zoon met Marcelo en zijn vrouw Fátima (Alice Carvalho) komt het tot een woordenwisseling en handgemeen dat in het ego van xenofoob en seksist Ghirotti een moordlustige vergeldingsdrang oproept. Niet enkel Marcelo’s collega’s verdwijnen in de weken na het incident, ook Fátima overlijdt onder meer dan verdachte omstandigheden. Met Ghirotti, de huurmoordenaars en de obsceen corrupte politiecommissaris Euclides (Robério Diógenes) aan een kant en Marcelo, Sebastiana, andere voortvluchtigen en weldoeners aan de andere kant ontvouwt O agente secreto zich als een kat-en-muisspel tussen ‘kwade’ machthebbers en ‘goede’, kleine helden van het verzet. Met de zeer persoonlijke vendetta van Ghirotti als drijvende factor verdonkeremaant de film echter net het meer systematische en politieke geweld dat de militaire dictatuur kenmerkte.
Elke film over het verleden is per definitie ook een kind van zijn tijd, en wil in de regel voldoen aan de morele, esthetische en vaak commerciële vereisten daarvan. Het simplistische, narratief gemotiveerde antagonisme tussen schurken en helden in O agente secreto is daar een uitwas van. Opvallend genoeg verscheen de film nog geen jaar na Ainda estou aqui (2024), de immens succesvolle en gelauwerde film van Walter Salles over de gedwongen verdwijning van voormalig congreslid Rubens Paiva begin jaren zeventig, en het verhaal van zijn vrouw Eunice en hun vijf kinderen in de nasleep daarvan. Ook O agente secreto viel al in de prijzen op het filmfestival van Cannes, en is in navolging van Salles’ film sinds september officieel de Braziliaanse Oscarinzending voor 2026. De haast gelijktijdige belangstelling van twee grote Braziliaanse filmproducties voor de militaire dictatuur hoeft niet te verwonderen. Pas tussen 2011 en 2014 werden veel – zij het zeker niet alle – officiële archiefdocumenten uit deze periode openbaar gemaakt via de Nationale Waarheidscommissie (CNV), gesteund door de Wet op Toegang tot Informatie (LAI) uit 2011. De beschikbaarheid van deze documenten maakt niet enkel dat er een verdere breuk kon ontstaan in de beleving van het verleden als voltooid verleden, maar biedt ook broodnodig onderzoeksmateriaal voor artistieke verwerkingen ervan. Daartegenover staat echter dat de Amnestiewet uit 1979 voor ‘politieke misdrijven’ begaan tijdens de militaire dictatuur, waarvan het Hooggerechtshof in 2010 de grondwettelijke geldigheid bevestigde, nog steeds strafrechtelijke vervolgingen verhindert. In tegenstelling tot Chili of zeker Argentinië is het juridische hoofdstuk van de militaire dictatuur in Brazilië allesbehalve afgerond. Het gebrek aan aansprakelijkheid van talloze martelaars en moordenaars van het regime blijft ongetwijfeld een doorn in het oog van filmmakers als Salles en Mendonça Filho, die tenslotte tijdens de dictatuur opgroeiden.
Naast dit recente juridische verleden waarde het dictatoriale spook ook zeer nadrukkelijk door het presidentschap van Jair Bolsonaro tussen 2019 en 2023, wat de periode moet zijn waarin de scenario’s van zowel Ainda estou aqui als O agente secreto geschreven zijn. De extreemrechtse koers van het Bolsonaro-regime zette democratische instellingen onder druk, zorgde voor de militarisering van civiele instellingen en mondde in 2023 na de verloren verkiezingen zowaar uit in een poging tot staatsgreep. Voor wie op een persoonlijke manier in aanraking kwam met de gruweldaden van de militaire dictatuur, moet het een affront geweest zijn hoe Bolsonaro tijdens zijn ambtstermijn openlijk martelpraktijken verheerlijkte, de conclusies van de Nationale Waarheidscommissie simpelweg verwierp (“er was nooit een dictatuur”) en de Amnestiewet stellig verdedigde. De wereldwijde ontvangst van de films van Salles en Mendonça Filho had – los van hun respectievelijke verdiensten – ongetwijfeld ook baat bij de huidige parallellen met het huidige presidentschap van Donald Trump en met de algemene opmars van extreemrechts in Europa.
Alhoewel de twee films qua toon en stijl sterk van elkaar verschillen, blijken er onder de oppervlakte toch enkele meer frappante overeenkomsten te zijn. O agente secreto blijft namelijk niet gevrijwaard van de kritiek die Ainda estou aqui al te beurt viel, namelijk dat in de hypergepolitiseerde tijdsperiode van de film de keuze voor de protagonisten heel makkelijk en paradoxaal genoeg zelfs apolitiek is. Sterker nog, deze keuze lijkt op een niet-Braziliaans filmfestivalpubliek afgestemd te zijn. Net als het gezin van de Paiva’s in Ainda estou aqui, waarin elke kijker wel geboren had willen worden, is Marcelo een nagenoeg ‘perfect slachtoffer’, om het met een uitdrukking te zeggen die Mohammed El-Kurd gebruikt om aan te duiden dat Palestijnen steeds hun slachtofferschap moeten bewijzen voor de internationale media ze als volwaardige mensen beschouwt. Marcelo is al even charmant en intelligent als zijn vermoorde vrouw Fátima, was als ingenieur en universiteitsonderzoeker vermoedelijk lid van de hogere middenklasse, heeft een zoontje dat hij nooit kan zien en dat als narratieve pasmunt dient voor medeleven, en verklaart zichzelf met de moedige hybris tegenover Ghirotti als “meer communist dan kapitalist”. Het is niet moeilijk om met de overduidelijke ‘goeie gast’ Marcelo mee te leven, wat een uiterst veilige keuze vormt voor de regisseur.
Op geen enkele manier kunnen de politiek ongevoelig liggende personages in de twee films de frictie genereren die nodig was geweest om de films de grandeur te geven waar ze naar streven. Zo reppen de films ook met geen woord – of in het geval van Ainda estou aqui slechts heel impliciet – over de bevolkingsgroep die het meeste leed onder de militaire dictatuur: de inheemse bevolking. Buiten het toeziend oog van de bevolking in de (groot)steden spreidde de dictatuur tegenover hen haar barbarij ongebreideld tentoon, aangezien ze inheemse mensen toch niet als politieke subjecten met burgerlijke rechten beschouwde. Niet enkel stierven er duizenden mensen door contact met allerlei virussen, wat op een dodelijke nalatigheid van de dictatuur neerkwam, er vonden ook directe massamoorden plaats waarover het CNV oordeelde dat ze ‘genocidale kenmerken’ vertoonden. Op het meest cynische niveau van wat menselijk voorstelbaar is, doneerde de dictatuur aan inheemse stammen suiker die vergiftigd was met het neurotoxische strychnine. De overheid verdreef honderdduizenden inheemse mensen uit hun leefgebieden voor mijnbouwprojecten en de bouw van stuwdammen en de Transamazônica, de autosnelweg die Noord-Oost-Brazilië dwars door het Amazoneregenwoud met Colombia en Peru moest verbinden.
Een film toont nu eenmaal wat hij toont, en is op geen enkele manier verplicht om alle facetten van een complexe en lang in geheimen gehulde historische periode te belichten. Toch zijn er a priori andere kaders mogelijk. Het probleem is niet dat de films zich niet inlaten met de geschiedenissen van meer onzichtbare bevolkingsgroepen en -lagen, maar wel dat hun personages daar net diametraal tegenover staan. Zo bestendigen ze de kloof tussen de zichtbare en meer onzichtbare, de bekende en minder bekende slachtoffers van de militaire dictatuur alleen nog maar verder.
Deze keuzes zijn nochtans allemaal vrij voorspelbaar voor twee internationale megaproducties – O agente secreto ontving tenslotte financiële steun uit Frankrijk, Nederland en Duitsland – maar wijzen op een onverenigbare tegenstelling in het hart van beide films. In se zijn ze allebei apolitieke politieke films. Het louter portretteren van slachtoffers van het regime vormt naar de westerse buitenwereld toe een krachtig, emotioneel meeslepend verhaal, maar is daarom nog niet voldragen als politieke kritiek, die op geen enkel moment in het weefsel van de films doordringt. Het zijn als het ware in zichzelf besloten verhalen die een in zichzelf besloten wereld voorstellen, met amper ruimte voor de socio-economische realiteiten die van Cidade de Deus (Fernando Meirelles en Kátia Lund, 2002) bijvoorbeeld wel zo’n koortsige en beklijvende film maakten, of enige vorm van kritiek op de inmenging van de Amerikaanse CIA in de staatsgreep van 1964. In plaats daarvan hult Mendonça Filho’s film zich maar al te graag in een Braziliaanse identiteit die makkelijk verkoopbaar is, gaande van de veelvuldig gebruikte tropicália-muziek en de kleuren en de sfeer van het carnaval tot het shot aan het begin van de film waarin twee kinderen à la Ronaldo en Ronaldinho met een mango voetballen. In welke mate deze keuzes werkelijk strategisch dan wel onbewust zijn valt niet te achterhalen, maar de politieke geschiedenis lijkt in O agente secreto toch vooral achtergrond en historische sfeer te zijn, want nooit ontstaat er een indringend engagement met die geschiedenis dat de amusementswaarde van de film overstijgt.
O agente secreto kan zijn beloftes niet waarmaken, maar houdt er wel een sterke visuele stijl op na en vloeit vaak zelfs over van allemaal op zichzelf interessante ideeën. De film zet zeer hard in op het tot leven brengen van de toenmalige beeldcultuur en hoe die zowel het heden als de herinnering eraan vormgeeft. Dat doet de film al voor hij aanvat: de filmposter lijkt er een van een spaghettiwestern te zijn, en de titel vormt zoals gezegd op zichzelf al een pastiche van de politiethriller, twee filmgenres die anno 1977 populair waren in de Verenigde Staten. Dat de Amerikaanse cultuurindustrie deel was gaan uitmaken van de Braziliaanse beeldcultuur, waar Mendonça Filho onder andere met een nadrukkelijke narratieve rol voor Steven Spielbergs Jaws (1975) op zinspeelt, zou voor een interessante politiek-culturele spanning kunnen zorgen. Ook hier serveert de film echter lauwe koffie. Als je verschillende Amerikaanse culturele artefacten inzet als mnemotechnische knooppunten tussen het Braziliaanse en het Europees-Amerikaanse collectieve geheugen, ze verheerlijkt zonder ze ook maar op één punt onderuit te halen, en zonder Braziliaanse filmverwezenlijkingen mee in de balans te brengen, dan speel je gewoon in de kaart van het aloude Amerikaanse (cultuur)imperialisme.
Als fictiefilms al de beste vorm van documentaires zijn, dan moet ook erkend worden dat alle fictie onderhevig is aan dezelfde vervormingen en manipulaties als het geheugen zelf. Mendonça Filho doet dat echter niet. Wanneer hij in een interview de vraag krijgt naar de vergelijking met Ainda estou aqui, zegt hij zelf dat Salles’ film over het zegevieren van het geheugen gaat (Eunice die na 25 jaar de overlijdensakte van haar man Rubens in handen krijgt), terwijl O agente secreto net over het falen van dat geheugen gaat. In de anticlimactische coda bezoekt de hedendaagse onderzoekster Flávia Marcelo’s zoon Fernando, die ondertussen al grijze haren heeft en als arts werkt in een bloeddonatiecentrum. Flávia overhandigt hem een USB-stick met daarop alle tapes die ze over en van Marcelo kon vinden. “Jij hebt meer herinneringen aan mijn vader dan ik”, zegt Fernando daarop laconiek, want Fernando herinnert zich hoegenaamd niets. Zo nestelt de hele film zich retrospectief plots in deze lacune, deze intieme amnesie van Fernando. Wat de kijker gedurende tweeëneenhalf uur meemaakt, heeft niet meer de status van het ondanks alles herinnerde, maar wel van de vergetelheid. Op zijn beste momenten is O agente secreto een energetische, zwierige film die het angstklimaat onder de Braziliaanse militaire dictatuur levendig oproept, maar in zijn geheel lijdt de film zelf aan een gewilde amnesie die ter wille van een nostalgisch, verkoopbaar beeld van Brazilië het echte geweld en de echte barbarij onder de mat veegt.
REGIE Kleber Mendonça Filho
SCENARIO Kleber Mendonça Filho
FOTOGRAFIE Evgenia Alexandrova
MONTAGE Eduardo Serrano, Matheus Farias
MUZIEK Tomaz Alves Souza, Mateus Alves
MET Wagner Moura, Carlos Francisco, Tânia Maria
PRODUCTIELAND Brazilië, Frankrijk, Duitsland, Nederland
JAARTAL 2025
LENGTE 158 minuten
DISTRIBUTIE Imagine Film Distribution
RELEASE 17 december 2025 (België), 12 februari 2026 (Nederland)
Evi Cats volgt The Blue Trail van Gabriel Mascaro naar een kolonie waar ouderen onwaardig geparkeerd worden.
Het verleden is nooit dood. Het is niet eens verleden tijd. Die memorabele gedachte van William Faulkner spookt bij uitstek door elk bewegend beeld. In zijn meest oorspronkelijke vorm is film niet minder dan gestolde tijd, uitgekristalliseerd in 24 beelden per seconde. De filmgeschiedenis is dooraderd met werken waarvan de vertelling in de herinnering duikt, of waarin de herinnering opduikt in de vertelling; talloze cineasten — van gisteren, vandaag en morgen — maken van het geheugen hun ontginningsterrein.
Op 3 februari ontvangt Lucrecia Martel een eredoctoraat aan KU Leuven. Een terugblik op haar oeuvre toont haar als cineaste van een land dat dreigt weg te zinken in de eigen trauma’s.
Uit een weelde aan archiefmateriaal smeedt Soundtrack to a Coup d’État van Johan Grimonprez een koloniale en neokoloniale geschiedenis waarin jazz en Congo de paden kruisen. Tussen de activisten, jazzmuzikanten, staatsleiders en spionnen is een opvallende, bijna te verwaarlozen bijrol weggelegd voor een zingende marktkramer. Bijna.
“Ek is dood”, schuddebuikt het nijlpaard Pepe met diepe stem. En dat is nog maar het begin van zijn filosofische mijmeringen.