Tekortkoning

Het biografische succesverhaal is een lamlendig genre. Vindt Richard Linklater in song- en musicalschrijver Lorenz Hart (1895-1943) een geschikt ongeschikt personage om de valkuilen van de biopic te vermijden? En is het niet Hart zelf die het theater van de neergang inzet?

13.01.2026 | Michaël Van Remoortere

Talent is more erotic when it’s wasted.
Don DeLillo – Cosmopolis

Men doet er goed aan nooit te vergeten dat eenieder die zich op zekere mate van succes kan beroepen, steevast bereid is geweest op het juiste moment door de juiste hoepels te springen, zelfs wanneer dat op de knieën moest gebeuren. Elk succesverhaal dat hier geen gewag van durft te maken is incompleet en zo mogelijk nog oninteressanter dan de vele als biopicjes vermomde variaties op dat thema die we uitentreuren voorgeschoteld krijgen. Interessanter zijn de losers. Zij die obstinaat neen zeggen tegen iedere voorgehouden hoepel en vooral tegen het hele systeem dat nooit zal nalaten hen voor te houden dat de vernederingen waaraan ze zich te onderwerpen hebben niets minder dan een gunst zijn. Slechts weinigen krijgen doorgaans de kans zich op deze manier te mogen bewijzen als betrouwbaar schoothondje.

Enter Lorenz Hart. Nauwelijks drie op elkaar gestapelde bierbakken groot, maar dat merk je niet meteen omdat hij de gave bezit je met een niet aflatende stroom aan witzen, double entendres en uiterst specifieke theaterreferenties murw te slaan. Hart is een songwriter die kan bogen op het soort onsterfelijke klassiekers waarop meerdere onzer grootouders hun kinderen verwerkt hebben. Niet in het minst natuurlijk ‘Blue Moon’, de onovertroffen ode aan de (verbeelde?) liefde waaraan Richard Linklaters nieuwste film zijn naam dankt. Plaats van handeling is het befaamde restaurant Sardi’s; het soort etablissement dat door zijn ligging de officieuze watering hole voor een gemeenschap geworden is. Enter alhier dus Lorenz Hart, die net de première van de theatermusical Oklahoma! (spreek uit “Oklahoma Exclamation Point”) vroegtijdig verlaten heeft om zich te bezatten alvorens later op de avond zijn voormalige muziekkompaan te moeten feliciteren met wat naar alle waarschijnlijkheid het musicalequivalent belooft te worden van de première van Le sacre du printemps van Les Ballets russes. Een paradigmaverschuiving dus, maar dit keer weg van het obscene en de avant-garde; een revolutie zonder gevaar voor mensen zonder smaak. (Ondergetekende heeft het — al het trotseren der zwaartekracht ten spijt — niet voor musicals.) Hart weet op die doorregende laatste dag van maart 1943 twee dingen zeker. Oklahoma! is een onmiskenbare hit en onmiskenbaar shit.

Tijd van handeling is dus anderhalf jaar na Pearl Harbor en de in volle oorlogstijd steeds weer heroplevende zucht naar comfort en escapisme lijkt het melancholische talent van Hart buitenspel gezet te hebben. Zo stelt hij het zelf althans gaarne voor. Dat Hart ook de hand heeft in zijn eigen ondergang zal allengs duidelijk worden.

Enter Ethan Hawke; Linklaters favoriete fetishacteur. Ver weg zijn we van het beoogde naturalisme van de Before-trilogie en aanverwante jongensachtigheden. Hawke zet Hart neer als een flamboyante kwaakgans. Het soort persoon dat zijn publiek vraagt of hij eens iets mag zeggen terwijl hij nog geen seconde de mond gehouden heeft. En het resultaat is zonder meer meeslepend, zij het bij vlagen vermoeiend. Waar schrijvers veelal onderschatten hoeveel sentimentaliteit er gemoeid is met het alleen al doorkomen van de simpelste der dagen, overschatten ze vaak hoezeer mensen geïnteresseerd zijn in wat men authenticiteit pleegt te noemen. De acteerprestatie van Hawke is er een van absolute theatraliteit en het genot van zich aan dit soort dwaasheden over te geven. Performativiteit als een voorwaarde voor, en niet het tegenovergestelde van, authenticiteit dus.

De hele set-up van de film werkt deze theatraliteit vanzelfsprekend in de hand. Boven op het handhaven van de eenheid van tijd en ruimte – één avond in één bar – wordt het spel nog meer in de kijker gezet doordat de bar waarin Hart zijn hart lucht tevens het enige theater is waar hij nog toegang toe lijkt te hebben. Hawke speelt dus iemand die speelt zonder dat dit een postmodern spelletje wordt, maar net om dieper in de wanhoop door te dringen. Een alcoholicus geef je niet weer door hem openlijk dronken te spelen maar net door alle manieren waarop hij die dronkenschap probeert te verbergen. En Hart is bij wijlen een bijzonder innemend alcoholicus. Zijn geginnegap met barman Eddie (wie immer met charmante bravado vertolkt door Bobby Cannavale) en soldaat on leave Morty Rifkin (Jonah Lees) is bijzonder vermakelijk zonder dat de hele tijd getelegrafeerd dient te worden dat de man zelve hier een spel op leven en, vrij letterlijk, zijn dood aan het spelen is. Waar het voor de andere aanwezigen — woordelijk tot extra’s in zijn leven gekroond — wellicht niet meer dan een avond zoals alle andere is, lijkt het alsof voor Hart op deze welbewuste avond een vonnis voltrokken wordt. Een vonnis dat des te tragischer is omdat het niet alleen zijn dood tot gevolg zal hebben, maar net omdat het door hemzelf uitgesproken en voltrokken wordt.

Een frisse bries waait alsnog het café binnen in de verschijning van Elizabeth Weiland (Enter Margaret Qualley). Naast het spel met zijn alcoholisme was ook Harts seksualiteit in het eerste deel van de film het onderwerp van menige grap en boutade. Hart spreekt openlijk over zijn biseksualiteit en de romantische, zij het op fysiek vlak ongeconsumeerde nacht die hij recentelijk deelde met een zekere collegestudente die het zelf over haar irrationele admiratie voor hem heeft. Het script van Blue Moon is gebaseerd op de brieven die Hart naar deze Weiland gestuurd heeft, maar verder is niet zo heel veel meer over haar geweten. Wanneer zij na al het verbale voorspel dan eindelijk ten tonele verschijnt, is de toeschouwer tegelijkertijd opgelucht en teleurgesteld.

Opgelucht (voor Hart) omdat deze vrouw daadwerkelijk blijkt te bestaan, teleurgesteld omdat ze vertolkt wordt door Qualley in een van die “fast talking, savvy”-performances die zij ook in de “lesbian B-movie”-miskleunen van solo Coen ten beste gaf. Katharine Hepburn als maniërisme. (Wanneer gaat Qualley nog eens de kans krijgen verder uit te diepen wat haar in The Stars at Noon zo onweerstaanbaar maakte?) Het spel tussen deze twee tegenpolen – old, ugly, broke and young, dumb and full of… promise, a tale as old as time – is ongeloofwaardig en maar net daarom ook… geloofwaardig? Niemand gelooft dat Weiland of Hart oprecht in de ander geïnteresseerd is om wie deze ander is, maar enkel om wat die zou kunnen betekenen. (Wat de vertolking van Qualley niet minder slecht maakt.) De ingénue wil uiteraard gewoon gebruik maken van de contacten en illusies van de oude rot in het vak en deze laatste…

Ja, wat wil Hart van haar? Net zoals Hawke het alcoholisme vormgeeft door alle manieren waarop het verborgen wordt, lijkt Harts obsessie vooral een manier te zijn om enerzijds te ontsnappen aan de eenzaamheid waartoe zijn seksualiteit hem lijkt te veroordelen (eenzaamheid die wellicht sociaal is, maar Terence “being ugly has ruined my life” Davies indachtig wellicht ook fysieke oorzaken heeft) en anderzijds die alsnog te kunnen beleven door de avonturen die Weilands aantrekkelijkheid mogelijk voor hem als getuige en toehoorder mogelijk maken. Wanneer zij Hart een verhaal vertelt over de college jock die haar op haar verjaardag wegens gehannes met het rubbertje net niet neemt tegen de keldermuur in een studentensociëteit, lijkt zijn interesse via haar eerder op de jongen gericht. De jongen van wie de huid op diens rug als perfect omschreven wordt. Hart kan niet anders dan reageren met een aan Casablanca (1942) ontleend citaat dat als refrein doorheen deze avond herhaald wordt: “Nobody ever loved me that much.”

De confrontatie met voormalig schrijfkompaan Richard Rodgers (een onverstoorbare Andrew Scott), nog high van de extatische ontvangst van zijn Oklahoma!, bevestigt tegen dan enkel nog wat al vast lijkt te liggen. Hart heeft zichzelf buitenspel gezet en zal er uiteindelijk niet meer in slagen om de toonaard te hervinden die hem opnieuw toegang tot de culturele elite zal geven. De tijden zijn veranderd, ten kwade, en indien hij niet bereid is op te geven wat hij belangrijk vindt, de kwaliteitseisen waar hij – hoe verouderd ook – aan houdt, zal hij zijn muzieknummers voortaan alleen nog maar bij elkaar mogen dromen. In deze bar voor een publiek van drie. Hoewel hij nooit twijfelt aan het eigen talent – maar kijk hem desalniettemin blozen als een schoolmeisje wanneer Rodgers hem daarin tegemoetkomt – slaagt hij er niet in het spel van productiviteit en publieksvriendelijkheid mee te spelen. En als dat de facto van hem een loser maakt, dan enkel omdat hij dit ook zelf lijkt te geloven. Wat wij daarentegen zien is een nachtelijke koning, gezeten op zijn kruk als een troon, van wie de beentjes simpelweg net te kort waren om vaste grond onder de voeten te vinden.

REGIE Richard Linklater
SCENARIO  Robert Kaplow, Lorenz Hart, Elizabeth Weiland
FOTOGRAFIE  Shane F. Kelly
MONTAGE  Sandra Adair
MUZIEK Graham Reynolds
MET Ethan Hawke, Margaret Qualley, Andrew Scott, Bobby Cannavale, Simon Delaney
PRODUCTIELAND VS, Ierland
JAARTAL 2025
LENGTE 100 minuten
DISTRIBUTIE Cherry Pickers
RELEASE 14 januari 2026 (België), 15 januari 2026 (Nederland)

gerelateerde artikelen
 

Zwijgen en zingen!

De musical Annette van Leos Carax doet schrijver Michaël Van Remoortere verwijlen bij het gevaar van fictie in haar langdurige pas de deux met de realiteit.

Madrid vergeet ons niet

De films van Jonás Trueba groeien mee met de stad Madrid, zoals die stad ook meegroeit met haar bewoners en bezoekers. Steeds opnieuw blazen herinneringen dat alles weer leven in.

 
 

Uit het oog, in het hart

Zoals elke roadmovie is Juho Kuosmanens Compartment No. 6 een ontdekkingsreis naar zichzelf. De Finse regisseur zit zijn personages dicht op de huid, in een poging hun zielenroerselen op 35mm-pelicule te vangen en zo een beeltenis in breedbeeld te schetsen van de zoekende mens.

Noli me tangere

Eye Filmmuseum presenteert de expo Albert Serra – Liberté als “een immersieve set vol nachtelijke, heimelijke ontmoetingen, waarin theater, film en tentoonstelling samenkomen”. Een bezoek.

 
 

Trickledown-feminisme

Nicole Kidman als kitten en CEO. Dolt Babygirl schijnbaar met ontregeling of staat er werkelijk wat op het spel?