Sarah Arnold over L’espèce explosive

L’espèce explosive van Sarah Arnold is een film over politieagenten en over everzwijnen, die massaal opduiken in Noord-Frankrijk, maar eigenlijk ook over theater en zelfontdekking. Wie opent de jacht?

22.10.2026 | Kathy Vanhout

Een kleine Franse stad wordt overspoeld door wilde zwijnen. Ze knabbelen aan de lokale landbouwteelt en maken de boeren boos, maar tijdens het jachtseizoen worden in diezelfde stad gouden zaakjes gedaan door hun overvloedige aanwezigheid. Waar komen ze eigenlijk vandaan, die beesten? Heet dat zomaar toeval of pech?

Met haar langspeeldebuut L’espèce explosive schetst Sarah Arnold in de eerste plaats een verbrijzeld portret van zichzelf. De zelf-scherven zijn grotere en kleinere zwijnen, een psychologe met agressieproblemen, een agent met ziekelijke obsessies en dan nog enkele kleurrijke figuren in de rand. Een waarachtig portret van een complex individu, nooit zomaar goed of slecht, soms moeilijk te lezen. Behalve zelfkritiek en -onderzoek stelt ze ook vragen aan de maatschappij, de politiek en de politie. Het gaat dan over geld en macht, over ecologie en gemeenschap. Niet iedereen zit erop te wachten en niet iedereen begrijpt wat hen verteld wordt. Op elk festival stelt Arnold vast dat haar film het publiek splijt als de Rode Zee. Sommigen duiken erin en lachen zich een barst, anderen halen hun tenen snel weer uit het water. De film leeft, dat is wat er voor de maakster toe doet. En daarbij, zegt ze, is het belangrijk om risico’s te nemen. We hadden een gesprek over de echte wereld (die waarin ze het fait divers over de zwijnen uit een Franse krant opviste) maar ook over theater, zelfontdekking en activisme.

Theatraal realisme

Je wijkt geen enkel moment af van een dagdagelijkse realiteit. Flashbacks noch droomsequenties bieden een uitweg. Hoewel die realiteit best vreemde gebeurtenissen omvat, blijft de film met twee voeten op de grond. Geloof je dat mensen vandaag de dag nog in staat zijn om aan verbeelding te doen?

Dat is iets wat ik me afvraag, ja. Ik zou zo graag een film schrijven waarin we wegdrijven. Ik hou ontzettend van de cinema van de jaren zeventig, tachtig, negentig en ik heb gemerkt dat er in die tijd veel meer toegang was tot dromen, tot symbolisme, tot een volledige ‘oneirische’ dimensie, terwijl de films van vandaag uitzonderlijk realistisch zijn. Ze kleven integraal vast aan de echte wereld, zowel in beeldtaal als filmstijl. Met handheld camera’s, dicht op de actie… Er bestaat trouwens een term voor deze stijl: het kapitalistisch realisme. Het vertegenwoordigt de onmogelijkheid toegang te vinden tot het surreële, tot symboliek, tot verhalen en dromen.

Alsof het tijdperk waarin wij leven, waarin controle een steeds grotere rol speelt, ons ervan wegduwt, ons vraagt afstand te nemen, gehoorzaam en trouw te blijven aan de werkelijkheid. En misschien zijn al die symboliek, poëzie en dromerigheid een beetje ouderwets. Het kan naïef overkomen in films uit de jaren tachtig, nochtans is het een oord van totale vrijheid omdat het zuiver subjectief is. De vraag wat er aan de hand is met de hedendaagse film, die steeds realistischer wordt, interesseert me, maar het antwoord heb ik niet.

In het kleine stadje Sérieux, waar het verhaal zich afspeelt, ontvouwt zich een enorme spanning tussen de naturalistische, gegronde setting en het eerder theatrale spel van de acteurs. Ze gedragen zich vaak buitenzinnig, lijken hun eigen gevoelens moeilijk te controleren.

Heel mijn leven wilde ik net zo zijn als alle anderen. Mijn werkwijze bestaat nog altijd uit zoveel mogelijk proberen te werken zoals de anderen, gewoon te doen. Uiteraard is dat onmogelijk en werkt er me altijd iets tegen. Daaruit ontstaat een stijl en wat me daarbij bijvoorbeeld ontzettend dierbaar is, is de mislukking. Het falen, het niet-functioneren. Dat typeert ook de personages die ik sympathiek vind. Degenen die hun best doen, maar er niet in slagen om normaal te zijn. En terwijl we op hun falen toekijken, leren we ze kennen.

Personages die slecht functioneren, of op hun heel eigen manier toch functioneren, tonen vaak ongewild hun onvermogen of onaangepastheid, maar juist daarin vind ik hen eerlijk en zo leer ik van hen houden. Omdat ze weinig geslaagde figuren zijn, is hun manier van doen een beetje vreemd en ontstaat er ook een zekere woede. Ze zijn boos en reageren, ze verzetten zich. Wat mij interesseert, is altijd hetzelfde: de kwestie van dominantie, of die nu door de staat wordt uitgeoefend of psychisch is. Het is een kwestie van strijd, een confrontatie met macht. Ik weet niet waar het vandaan komt, maar dat is wat mij prikkelt. Het verzet hoeft daarom niet groot te zijn. Ze zijn kleine personages die zich ergens in de rand bewegen, zeker geen helden. Ik houd er gewoon van acteurs te zien spelen en voorlopig heb ik geen idee hoe ik hen zou moeten vragen om ‘naturalistisch’ te spelen.

Sowieso zit er een enorme kracht in die relatie tussen theater en film.

Ja! Ik moet nu denken aan Le dernier métro (1980) van François Truffaut. Theater en film, dat is een liefdesrelatie. Cinema houdt van acteurs en acteurs brengen het theater tot leven. Er zijn natuurlijk verschillen in de omgang met acteurs en met de stukken, maar ik geloof dat cinema het theater idealiseert en het theater cinema. Of ja, zoiets, ik weet het niet helemaal zeker.

Niet om in het theater te blijven hangen, maar toch in diezelfde bovenwerkelijke sfeer: hoe heb je die grote beesten gecreëerd? Heb je met klassieke special effects gewerkt?

In vergelijking met de mensen lijken de dieren vrij groot, maar dat is een perspectief-effect. De camera staat op grondniveau, ter hoogte van het personage dat op de grond ligt. Er zijn ook computergegenereerde zwijnen die iets groter zijn, maar uiteindelijk lijken ze eigenlijk niet zo groot. Ik heb niet zo’n grote voorliefde voor special effects. Die worden al snel een beetje goedkoop. Tegelijkertijd is dat oké, want in deze film is alles net zo serieus als onserieus. Als het wat doet denken aan een B-film is dat dus prima.

De illegale invoer van Poolse wilde zwijnen is sowieso belachelijk. We nemen het serieus, maar het is belachelijk. En als we die wilde zwijnen naar beneden zien komen, lachen we ermee: die grote, gore beesten, ze zien er niet goed uit. Dat gebeurt ook in het theater. Dingen worden opgevoerd en je ziet duidelijk dat het niet echt is, maar dat is juist wat ik zo geweldig vind aan het theater: dat de toeschouwer gedwongen wordt om te bedenken wat er niet is.

Vermakelijk activisme

Weer wat uitzoomend, kunnen we misschien stellen dat jouw film een groot spel is. De film voldoet aan de conventies van een whodunnit en met de kleine vondsten wanen we ons in Cluedo. Tegelijkertijd is jouw werk heel erg open. Het mysterie om de beesten is niet het allerbelangrijkste en als je gaat zoeken naar wat dat wel is, stoot je misschien op een keuzeprobleem. De liefde, de klassenstrijd, psychologische zorg, gemeenschap…

Het gevoel van onrecht en onmacht van zij die vragen om sociale rechtvaardigheid en ecologische vooruitgang, van zij die vragen om de planeet te redden, om kinderen te redden, om in vrede te leven, van zij die niet gehoord worden, die alleen maar slecht nieuws te horen krijgen… Dat gevoel zorgt voor een enorm lijden en wie lijdt, zoekt toevlucht in geweld. Er is geweld en ik geloof dat dat geweld voortkomt uit wat ons wordt aangedaan. Daar gaat de film uiteindelijk over. De film probeert te tonen dat het moeilijk is om dat gevoel van machteloosheid in bedwang te houden. Mensen hebben volgens mij de plicht om in actie te komen, de plicht om samen te komen en te proberen iets te ondernemen. En een intieme, liefdevolle relatie tussen twee mensen is het eerste bolwerk van het verzet.

Is cinema een vorm van verzet?

Toen ik een tiener was, dacht ik dat ik activiste zou worden. Ik meende dat ik me niet in de maatschappij moest mengen. Ik wilde geen kredietkaart of telefoon, omdat ik dacht dat ik eropuit zou trekken en dingen zou ondernemen. Dat heb ik niet gedaan. Ik heb een kind gekregen, ik ben er helemaal ingedoken, in de maatschappij, geregistreerd en alles.

Maar zelfs nu nog, telkens als ik ergens een kaart of pasje scan, heb ik het gevoel dat ik in de gaten word gehouden. Alsof er diep van binnen een potentiële bom in mij zit. Snap je? Overal waar ik kom. Niet zo lang geleden werd mij gevraagd of ik een dankwoord wilde schrijven. Ik wil die richten tot alle mensen die zich met hun lijf, energie en stem inzetten voor het milieu-activisme. In Frankrijk is er bijvoorbeeld een gigantische strijd gevoerd om de bouw van een luchthaven in Notre-Dame-des-Landes, de megabassins en dergelijke te voorkomen. Al die mensen, die zich verenigen en met hun lichaam demonstreren om hoogspanningsleidingen tegen te houden. Dat is echt, dat is concreet, dat zijn echte daden en ik kan niet anders dan hen bedanken. Zij boeken reële vooruitgang en ik ben er met mijn lichaam niet bij, daar bij hen.

Is cinema een vorm van troost?

Ik heb het gevoel dat ik aan mezelf werk terwijl ik films maak. Ik werk aan dingen die therapeutisch voor me zijn. Voor mij was het belangrijk dat de film leefde. En dat de mensen die eraan hebben meegewerkt er met blijdschap aan terugdenken. Hetzelfde geldt voor mijn kortfilms. Dat waren steeds mooie avonturen. Ik ben gelukkig als iedereen zich goed voelt en ze het gevoel hebben iets bijzonders te beleven. Films maken is communaal werk. Los van het resultaat, hecht ik ontzettend veel waarde aan het proces. Daarom is elke film die ik maak persoonlijk en intiem, op psychisch en emotioneel vlak, maar tegelijkertijd heb ik nog nooit het verlangen gevoeld verhalen te schrijven of te verfilmen die zich niet op collectief niveau afspelen. De verbinding van beide is wat ik opzoek, het politieke en het persoonlijke.

Steeds opnieuw vragen ze me waarom ik in godsnaam een film maak over zwijnen, jagers en landbouwers. Waarom niet over jezelf vertellen! Maar Fulda (de politieman), dat ben ik, de zwijnen, die ben ik. Het is niet meer dan een vertaaloefening, een manier voor eenieder om op zoek te gaan. Lees het zoals je wil.

Misschien zit de troost ook in hoe grappig en licht jouw film uiteindelijk is geworden. Zoals je zelf zei, net zo serieus als onserieus.

Ik sprak veel met mijn producenten, die allemaal gewoon vrienden zijn met wie ik al lang samenwerk en het plan was echt om een film te maken met de uitstraling van een ‘grote’ film, voor een groot publiek en niet hoogdravend. Een film waar iedereen een ingang in vindt, met herkenbare codes, waarin de kijker zich comfortabel voelt. En de humor, die komt voort uit de wanhoop! Mensen reageren heel verschillend op de film. Sommigen vinden de humor veel te traag, anderen vinden het slecht gespeeld. Ach.

Maak je nog een langspeelfilm?

Daar heb ik ontzettend veel zin in en ik heb ook ontzettend veel ideeën. Maar de manier waarop de samenleving aan een razendsnel tempo in fascisme vervalt, is angstaanjagend. Het valt nog maar te zien wat mogelijk is. Geld voor cultuur is zo belangrijk. Mensen die cultuur ‘consumeren’ voelen zich goed, voelen zich gezien en begrepen. We moeten ertegen vechten dat ze ons van elkaar proberen te scheiden. Het ergste wat ze kunnen doen, is onze vreugde doven en dat gaan we niet laten gebeuren.

 

Namen, 2 oktober 2026

 

REGIE Sarah Arnold
SCENARIO Roman Winkler, Mehdi Ben Attia, Jérémie Dubois, Olivier Seror et Sarah Arnold
FOTOGRAFIE Noé Bach
MONTAGE Isabelle Manquillet
MUZIEK Florencia Di Concilio
MET Alexis Manenti, Ella Rumpf, Vincent Dedienne
PRODUCTIELAND Frankrijk
JAARTAL 2026
LENGTE 95 minuten
DISTRIBUTIE Cinéart
RELEASE 14 oktober 2026 (België), nog te bevestigen (Nederland)

gerelateerde artikelen
 

De penis en de vertelstem

Zeggen dat Sandra Hüller in Rose haar mannetje staat, wijst er vooral op hoe talige regels ons over gender laten denken. Hoewel Rose de spielerei vermijdt die ook in dergelijke uitspraken schuilt, werkt het stugge vasthouden aan biologische uiterlijkheden finaal als een doorn in het oog.

Een zachte beer, een truffelvarken en een westers zwijn

Pig is veel meer een film over mannen en de manier waarop ze met liefde en verlies omgaan dan een film over afwezige zwijnen (wat in dit geval misschien wel hetzelfde betekent).

 
 

Hoe kunst collectief werkt

De tiende editie van het festival Visite, van 17 tot 20 november 2022, stond in het teken van collectieven. Een publiek gesprek legde de vinger op praktijken, mogelijkheden en struikelstenen van collectief werken.

Moeder van de subversieve vrouwenfilm

De Hongaarse pionier Márta Mészáros filmde een veelzijdig oeuvre bij elkaar. De voorkeur voor het banale en het understatement maakt haar films tot krachtdadige cinema, even persoonlijk als politiek.

 
 

Wat zei de paddenstoel?

Zoals voor Alain Guiraudie een meer eerder niet zomaar een meer was, is nu een bos niet zomaar een bos. En dat ligt heus niet alleen aan de penisvormige paddenstoelen.