Bond: rond en rond en rond

“Je bevindt je op de rand van een toxische draaimolen”, fluistert Q superspion James Bond toe. Het zinnetje zou kunnen slaan op 007’s gedateerde toxische mannelijkheid dan wel geforceerde politieke correctheid, maar laat me het toepassen op die andere mallemolen waaraan Daniel Craigs vijfde en laatste Bonduitstap niet kan ontsnappen: het keurslijf van de hedendaagse blockbuster.

04.10.2021 | Remo Verdickt

Het verhaal uit de doeken doen, lijkt me overbodig. Dit is een Bondfilm, waarin de wereld gered moet worden, veel dingen ontploffen – al dan niet door Q’s gadgets – en de held zich nog steeds bedient van dezelfde slagzinnen en belegen grapjes. Sinds Craigs debuut Casino Royale, ook alweer vijftien jaar oud, zijn die verhaallijnen echter ook sequentieel, met nu No Time to Die als afsluiter van deze ‘blonde Bond’-minisaga. Het is een van de grootste mankementen. Net als in voorganger Spectre uit 2015 dient elke verhaallijn bij te dragen aan een groter episch geheel, maar het resultaat neemt zichzelf veel te serieus en kan de uit haar voegen gebarsten mythologie niet aan. Nu Marvel en Netflix al geruime tijd de spelmeesters van populaire filmcultuur zijn, is het niet genoeg dat Hollywood franchises produceert. In de filosofie – lees: het verdienmodel – van deze giganten is elke aflevering een smaakmaker voor het vervolg dan wel het met veel bombarie aangekondigde Orgelpunt. Van. De. Saga… Tot het tijd is voor de onvermijdelijke reboot.

Ooit was James Bond het schoolvoorbeeld van de duurzame Hollywoodreeks, een oneindige melkkoe waarbij toch elke film volledig op zichzelf stond. No Time to Die voelt meer aan als The Rise of Skywalker (J.J. Abrams, 2019): het scenario lijkt een amalgaam van ongeïnspireerde ideeën die er elk vooral op gericht zijn losse eindjes uit de vorige delen aan elkaar te breien tot een allesomvattend universum. Herinner je je nog hoe Léa Seydoux kort een jeugdtrauma vermeldde in Spectre? Dat was gewoon Rami Malek – hier de snoodaard van dienst – die zijn Jason Voorhees-masker-fetisj botvierde! Weet je nog dat Blofeld (Christoph Ganz) het brein achter de schurken in de vorige drie delen bleek? Met Malek hebben we een schurk achter een schurk achter een schurk achter…  Die losse eindjes zijn in de eerste plaats ontstaan door een gebrek aan langetermijnvisie. Daar is op zich niets mis mee, maar probeer er dan alsjeblieft onderweg geen vernuftige roman-in-vijf-delen van te maken.

Gedurende de hele film vroeg ik me af wat de rol van Craig in dit alles was. Van bij het begin heeft de acteur Bond een menselijker gezicht willen geven, tegelijk een rauwe lichamelijkheid hanterend waarvan Pierce Brosnan slechts kon dromen. In deze film lijkt die spagaat zich definitief te wreken. Al bij de proloog, een romantisch uitje met zijn geliefde Madeleine Swann, straalt Craig iets onzekers uit, een onbeholpenheid die hij enkel van zich af weet te schudden tijdens de actiescènes, waarvan de eerste veruit het efficiëntst is. Het helpt niet dat Bonds liefdesleven meer dan ooit centraal staat, met enkele bespottelijke plotwendingen en helaas nog steeds Seydoux als tegenspeelster. Met niemand in de cast heeft Craig minder chemie dan met haar.

Al moeten zij wel melodramatische dialogen over de lippen krijgen die zo uit de koker van George Lucas hadden kunnen komen. Het blijft raden hoe ver de invloed reikte van scenariste Phoebe Waller-Bridge – bekend van de series Fleabag (2016-2019) en Killing Eve (2018-) – rond wie in de lange promotionele aanloop zoveel te doen was. Ana de Armas’ personage zou weleens haar toevoeging kunnen zijn geweest. Zij zorgt voor de veruit grappigste én oprecht coole scènes, die heel even toch iets van dat typische Bondgevoel opwekken.

Dat gevoel is verder immers geheel afwezig; op Billie Eilish’ trage titelsong na, die wonderwel blijkt te werken op de multiplexspeakers. Het scenario en Craig lijken vaak verloren te lopen, terwijl de regie van Cary Joji Fukunaga en de soundtrack van Hans Zimmer op automatische piloot staan. Fukunaga dankt zijn reputatie aan dat geweldige eerste seizoen van True Detective (2014), maar in No Time to Die bevinden we ons dichter bij de eindeloze, ongeïnspireerde achtervolgingen van zijn debuut Sin Nombre uit 2009 en het halfbakken melodrama van Jane Eyre uit 2011. Alles straalt vakmanschap uit, maar ook niet meer dan dat. Je voelt bij die degelijk gefilmde strapatsen geen sprankel emotie, terwijl de film er prat op gaat dat die met bakken aanwezig is.

Fukunaga en zijn crew hebben goed gekeken naar wat Hollywood de laatste tien jaar heeft voortgebracht, om vervolgens alles op een hoopje te gooien. Zo krijg je niet alleen een ongemakkelijke cocktail van ongepaste pathos en weinig opwindend escapisme, maar ook een reeks setpieces die we bij niet noodzakelijk betere zij het eerdere films gezien hebben, met voorop een oneindige reeks John Wick-achtige pang-pangs (‘vuurgevechten’ is te lyrisch). Absoluut dieptepunt is de obligate scène waarin fletse schurk Lyutsifer Safin (Malek) zijn diabolische plan uit de doeken doet. Niet alleen is zijn motivatie de tigste krampachtige poging commentaar te geven op de wereld van vandaag, hij bevindt zich op dat moment ook nog eens in een schuilplaats die zo aan Blade Runner 2049 (2017) is ontleend. Wanneer Bonds nieuwe collega – Lashana Lynch krijgt de meest ondankbare rol – meteen erna “time to die” mag debiteren, mis je Rutger Hauer meer dan ooit.

De grootste inspiratie (of het gebrek daaraan) moet echter Christopher Nolan zijn. Fukunaga deelt Nolans voorliefde voor holle bombast, onverdiende sérieux en een afstandelijk kleurenpalet. Hans Zimmer – ook al niet op dreef met Dune – doet een duit in het zakje en levert een soundtrack af die gerust met die van Tenet (2020) kan worden verwisseld. Ook die film werd verkocht als een ‘moderne’ Bondfilm, maar Nolan leek meer geïnteresseerd in de trends die hijzelf had gestart met zijn Batman-trilogie en Inception dan op zoek te gaan naar jongensachtig avontuur. Nolan en Fukunaga mogen hier gerust een boom opzetten over circulaire tijd (ergens mompelt Matthew McConaughey “time is a flat circle”), ondertussen blijven we wel mooi rondjes draaien. Q’s opmerking was best accuraat: toxisch of niet, draaimolens zijn altijd een saaie bedoening geweest.

REGIE Cary Joji Fukunaga
SCENARIO Neal Purvis, Robert Wade, Cary Joji Fukunaga, Phoebe Waller-Bridge
FOTOGRAFIE Linus Sandgren
MONTAGE Tom Cross, Elliot Graham
MUZIEK Hans Zimmer
MET Daniel Craig, Léa Seydoux, Rami Malek
PRODUCTIELAND Verenigd Koninkrijk, Verenigde Staten
JAARTAL 2021
LENGTE 163 minuten
DISTRIBUTIE Sony Pictures
RELEASE 30 september 2021

gerelateerde artikelen
 

Het huwelijk, gefacelift

Bijna vijftig jaar na Ingmar Bergmans iconische Scenes from a Marriage (1973) waagt regisseur-scenarist Hagai Levi zich aan een hedendaagse, Amerikaanse remake. Vraag blijft of Levi ook iets nieuws weet te vertellen over de ontwrichting van een getrouwd koppel anno 2021, hier met verve vertolkt door Jessica Chastain en Oscar Isaac.

Lamento voor een dode slang

De mythe van Orpheus en Eurydike spreekt al eeuwenlang tot de verbeelding: een jonge zanger wil zijn geliefde terughalen in de onderwereld maar verknalt het door om te kijken. Misschien zou de bevrijding beter lukken als de genderrollen werden omgekeerd?

 
 

Niet voelen, maar handelen

In François Ozons familiedrama Tout s’est bien passé worden de rollen omgekeerd. Dochter Emmanuèle wijdt haar leven volledig aan haar vaders laatste wens: de wens om te sterven. Ozon belicht niet de emotionele maar de praktische kant van dit proces, want – zo staat Willem Elschot hem bij – “tussen droom en daad staan praktische bezwaren”.

Onderaardse verhalen

Liesbeth De Ceulaers docufictiefilm Holgut verbindt mythes en legendes uit het verleden met gemoedelijke gesprekken in het heden en droombeelden over de toekomst. In alle drie waart iets van de lang uitgestorven mammoet rond: soms slechts een afdruk, soms een enkele slagtand, soms het hele beest met huid en haar en knipperende tekenfilmogen.

 
 

Staatsgeheim binnen en buiten het kader

Uit voormalige Oostbloklanden komen er sporadisch ‘revisionistische’ films, waarin een nieuw licht wordt geworpen op historische fenomenen die tijdens de Koude Oorlog in de doofpot waren gestopt. Enkele voorbeelden zijn Sunshine (István Szabó, 1999) en Katyń (Andrzej Wajda, 2007). Andrej Kontsjalovski’s Dear Comrades! sluit daarbij aan.

Tussen tweevoud en tweedeling

De ware inhoud van Son-Mother verschuilt zich achter een donker doek. Man en vrouw, moeder en zoon worden tegenover elkaar geplaatst, tussen hen verschijnen de diepste afgronden. Ook als toeschouwer kijk je soms angstig neer op koude, kolkende diepten.

 
 

Wat meer en vooral niets minder. Thierry Zéno gerestaureerd

CINEMATEK brengt hulde aan de visionaire Belgische kunstenaar en filmmaker Thierry Zéno zaliger. Uit de recente restauratie van zijn werk vloeit een dubbele dvd-release met drie van zijn inktzwarte films. Het is een wonderbaarlijke en bijzonder wrange collectie van de meest controversiële filmmaker die België ooit mocht kennen.

Vlinderen met bijen. Nina de Vroome over Globes

Verrassend didactisch plaatst de documentaire Globes ons voor de vraag of film nog boudweg onderwijzend mag zijn. Niet dat Nina de Vroome zich op de kansel hijst of een belerend toontje aanslaat. Veeleer schept ze genoegen in de overdracht van kennis via film, in vormen en verhalen.