Hoor eens hoe hard, mijn paukenslag?!

In 1883 deed de vulkaanuitbarsting op Krakatoa een luidruchtige poging om het mensdom finaal uit zijn aardse bestaan te knallen. Slingert ze nu kunstenaar-filmmaker Carlos Casas naar de kern van wereldse verwondering?

14.10.2026 | Boet Meijers

Meestal zijn het hekwerken van privé-erven waar je de waarschuwing ‘betreden op eigen risico’ terugvindt; gebieden waarbij de toegang niet wordt ontzegd maar toch sterk afgeraden door gebrek aan toezicht of aanwijsbare verantwoordelijke voor mogelijk letsel. Je mag best, niemand zal je komen tegenhouden, maar pas toch in godsnaam op want mocht je onverhoopt verscheurd worden door de hiernaast afgebeelde hond, dan lig je er mooi alleen voor; onze naam is haas. Dezelfde waarschuwing duikt op als pancarte voorafgaand aan de vertoning van Krakatoa: in de zaal blijven zitten op eigen risico.

Carlos Casas’ langspeler is vernoemd naar een archipel van vier vulkanische eilanden in de Straat van Soenda tussen Java en Sumatra, die in 1883 catastrofaal uitbarstte en de hele wereld in zijn voegen deed kraken. Krakatoa, oorspronkelijk in première gegaan als audiovisuele installatie, vertrekt vanuit deze historische gebeurtenis en construeert een bombastische fictie die draait rond de laatste dag van het leven van een enkele man.

Niets geen eigen risico in de openingsscène, waarin het waanzinnige vlot van Kesuma (Ronin Hensilayah) sereen dobbert op een haast plooiloze oceaan. Het is niet 1883, maar een ongespecificeerde nabije toekomst waarin Kesuma ogenschijnlijk zonder bestemming op de Indische Oceaan drijft. Om hem heen is enkel de verte, hij lijkt ontkoppeld van enige tijdspanne, er is geen begin of eind in zicht en het enige dat doet vermoeden dat hij al lang op het vlot leeft, is de deskundigheid waarmee hij in zijn benodigdheden voorziet. Dit is geen noodoplossing, dit is de status quo; Kesuma kookt zijn gevangen vis op een gasstelletje, flierefluit terwijl hij een miniatuurcatamaran te water laat en legt zich zorgeloos te dutten in een grote berg touw. Met een stellage van lampen die hij ’s nachts aanzet boven een gespannen net, probeert hij vissen te vangen, een schijnzon als lokaas. Zo bekend geraakt met de grillen van de zee dat hij haar om zijn vingers heeft gewonden.

Maar er bijt niets, er springt niemand richting licht om in het net te landen, de zee is onheilspellend leeg, de afwezigheid een haast onmerkbare voorbode.

Dan, zoals in 1883, het luidste geluid ter wereld. Nicholas Beckers muziek is een stuwende, zuigende krachtmeting, deels auditieve reconstructie van het cataclysme van anderhalve eeuw terug en deels gebaseerd op een getuigenis van een veel recentere uitbarsting. Er wordt een schelp over de aarde gelegd; nu is haar binnenste te horen, een volstrekt onverschillig, subliem geraas. Er bestaat enkel nog rood als Kesuma door de zee wordt verzwolgen; de hel barst los. De documentaire vertelling van eerder transformeert, abstraheert, tot impressionistische fanfare van beeld en geluid. Armageddon met een hoofdletter, het kan niet anders dan dat er hierna niets meer over zal zijn. Het is gemakkelijk om het persoonlijk op te vatten, om te denken dat de vulkaan uitbarst om Kesuma (die door zijn allenigheid even alle mensen vertegenwoordigt) op enige manier af te straffen. Rampen worden in vertellingen dikwijls gemoraliseerd, gepersonifieerd, en het is in dit geval niet helemaal duidelijk of dat de bedoeling is; wat maakt een parabel, en in hoeverre ligt dat bij de ontvanger en diens wens iets op te steken?

Nadat Kesuma van zijn vlot is geslingerd, spoelt hij aan op een kaal eiland. De vulkaan proest nog aan de horizon en de lucht is gehuld in een oranje nevel van verwoesting. Gemotiveerd door een simpele zoektocht naar eten belandt hij in een tunnelsysteem dat overwoekerd wordt door stalagmieten. Hij baant zich er een weg doorheen, terwijl een spel van licht erop wijst dat hij steeds verder weg raakt van de wereld waarin hij op zijn vlot leefde. De aarde lonkt hem, verleidt hem dieper en dieper haar korst in af te dalen, als de vissen die Kesuma met zijn lampen het net in lokte.

De kern van de wereld is een rivier van lava, in de verte nog het silhouet van Kesuma, die totaal in trance zijn ogen dichtknijpt. Nu wordt het duidelijk waarom de waarschuwing aan het begin werd gegeven; de climax van Krakatoa is een langdurige sequentie van knipperende beelden aan een niet bij te houden snelheid. Bij momenten wens je dat er een doosje lucifers in je zak zat zodat je er een stuk of vier tussen je oogleden kon klemmen om zo de drang tot wegkijken te smoren. Een ontelbare hoeveelheid microscoopbeelden van kristalachtige structuren vliegt voorbij, het voelt als een uitnodiging tot overrompeling, tot betekenisgeving door middel van cinematische trucs die op pavloviaanse wijze een reactie van verwondering horen op te roepen. In de aftiteling bedankt Casas Mark Rothko, een kunstenaar wiens reputatie inmiddels zo veel groter is dan hijzelf, waardoor je niet eens meer naar zijn schilderijen hoeft te kijken om er passend op te reageren; iedereen weet dat je bij het zien van een Rothko vol hoort te schieten om redenen die je pet te boven gaan. Bij momenten voelt het alsof er een man op je schoot springt en een zakhorloge voor je neus houdt, het heen en weer laat zwaaien en vraagt of je al onder hypnose bent.

De pancarte aan het begin voelt niet enkel gericht aan epileptici, mensen die om fysiologische redenen gewaarschuwd moeten worden voor de audiovisuele elementen in de film. Ze lijkt te waarschuwen voor een diep spirituele ervaring waar men wellicht nog niet klaar voor is, subiet brokkelt de geest nog af; u staat op het punt iets heel erg bijzonders te ervaren, zorg dat u daar klaar voor bent, en bij voorbaat graag gedaan.

Hier vind je de vertoningsdata van Krakatoa op Film Fest Gent.

REGIE Carlos Casas
SCENARIO Carlos Casas
FOTOGRAFIE Benjamín Echazarreta
MONTAGE Felipe Guerrero
MUZIEK Nicolas Becker
MET
Roni Hensilayah
PRODUCTIELAND Polen, Verenigd Koninkrijk, Spanje, Frankrijk
JAARTAL 2026
LENGTE 78 minuten
DISTRIBUTIE MOOOV
RELEASE nog te bevestigen

gerelateerde artikelen
 

Show, don’t tell

Chronovisor, de debuutfilm van Kevin Walker en Jack Auen, haalt zijn titel bij een machine die naar verluidt het verleden zichtbaar maakt. Klinkt als cinema?

Stromboli, Etna en cinema

“Of het gevaarlijk is vulkanen van zo dichtbij te bestuderen? Niet gevaarlijker dan in België over straat wandelen.” Of je films moet maken aan de rand van een krater? Jazeker wel. Met Fire of Love knipt en plakt Sara Dosa een prachtige collage in elkaar over vulkanen, liefde en cinema.

 
 

In steen gevangen wezens

Documentairemaker Sofie Benoot liet zich eerder al voeden door woestijnen en grondlagen. Haar graafwerk brengt haar nu, in het essayistische Apple Cider Vinegar, bij keien, stenen en gesteente.

Shakespeare in de Azoren

In Ariel, de nieuwste film van de Galicische filmmaker Lois Patiño, mag de prachtige beeldvoering niet baten. De visuele vervoering van de Shakespeare-adaptatie vangt de narratieve leemte niet op.

 
 

Een vleugelslag, lang geleden

De synopsis van Lisandro Alonso’s Eureka belooft ons te leren wat het betekent mens te zijn. Dat moet wel grootspraak zijn, toch?