Met Sirât, gelauwerd in Cannes, lokt Óliver Laxe je via pompende elektroklanken de Marokkaanse woestijn in, om je daarna samen met zijn personages aan je (nood)lot over te laten. Een nachtmerrieachtige koortstrip van een roadmovie, wars van oriëntalisme, zedenlessen en narratieve verwachtingen.
“Following the Tao,
the way that endures forever.
The body comes to its ending,
but there is nothing to fear.”
(Tao Te Ching, hfdst. 16 – vertaling van Ursula K. Le Guin)
In de artistieke verbeelding is de woestijn vaak de plek waar de westerling die om wat voor reden dan ook weg wil uit de hem vertrouwde wereld al snel op zijn grenzen stuit. Denk bijvoorbeeld aan de roman The Sheltering Sky van Paul Bowles, verfilmd door Bernardo Bertolucci, waarin een naïef Amerikaans echtpaar in de Noord-Afrikaanse zandvlakten hun huwelijksperikelen hoopt te overwinnen, met tragische afloop.
Sirât begint met beelden van een woestenij. We zien hoe in het midden van nergens letterlijk een wall of sound wordt opgebouwd: luidsprekers worden metershoog op elkaar gestapeld en van stroom voorzien. De muziekliefhebber hoort misschien echo’s van Pink Floyd: Live at Pompeii (Adrian Maben, 1972), dat met soortgelijke scènes begint, maar dit is géén concertfilm. De droge beats die weldra klinken zijn afkomstig van een rave, dat fenomeen waarbij mensen uren- en dagenlang dansen in een vacuüm, op een eiland of een afgelegen plek, weg van de verwarrende werkelijkheid met haar ratrace en haar regels. ‘We willen alleen dansen, we doen niemand kwaad’, klinkt het uit de mond van een personage in de film. Maar alles is politiek, ook dansen in de leegte, en de boze buitenwereld dringt op specifieke momenten toch weer binnen. Denk maar aan de inval van de Palestijnse groepering Hamas bij het Nova-muziekfestival in Israël op 7 oktober 2023, waarvan de geopolitieke golven nog altijd niet zijn uitgedijd.
Nu wordt de rave in een uithoek van Marokko ruw onderbroken door een onbepaald militair conflict in een buurland, en de ravers moeten opkrassen. Een aantal laat zich niet afschrikken en trekt naar het zuiden, dieper de woestijn in, waar een geheime rave zou plaatsvinden. Daarbij krijgen ze het gezelschap van een vader en zijn tienerzoon die op zoek zijn naar hun verdwenen dochter en zus – de eigenlijke narratieve insteek van de film. Zoals in L’avventura (Michelangelo Antonioni, 1960) krijgt de zoektocht naar de vermiste persoon al snel iets abstracts, om vervolgens op de achtergrond te verdwijnen en uiteindelijk volstrekt irrelevant te worden.
Als een visueel refrein zijn er de aldoor terugkerende beelden van een witte markeringslijn op de asfaltweg door de woestijnvlakte. Zoals in Lost Highway (David Lynch, 1997), de nachtelijke ‘wegfilm’ bij uitstek, is de lijn onderbroken, als een boodschap in morsecode. Alleen valt die niet te ontcijferen en is de betekenis onduidelijk. De onmelodische soundtrack – de ondertitel van de film luidt: Trance en el desierto (trance in de woestijn) – bestaat uit dreunklanken en kurkdroge beats van de hand van de Franse elektronische musicus Kangding Ray. En onderweg heft een personage opeens een pacifistisch chanson van Boris Vian aan tijdens een geïmproviseerd stukje vaudeville – een zeldzaam moment van ontspanning in een film van een bij momenten haast ondraaglijke psychologische geladenheid.
De Galicisch-Spaanse cineast Óliver Laxe, met Sirât aan zijn vierde avondvullende film toe, interesseert zich niet bijzonder voor psychologie. De diverse personages worden niet in reliëf getekend en hebben alleen gemeen dat ze outsiders zijn, door omstandigheden (vader en zoon) of uit principe (de ravers). Niet voor niets draagt een van hen een T-shirt van de cultfilm Freaks (Tod Browning, 1932). Een aantal mist ledematen, als een materiële veruitwendiging van hun anders-zijn, hun niet-thuishoren.
De film wordt voorafgegaan door een citaat in het Arabisch. Daarin gaat het over de brug die islamitische gelovigen op de dag des oordeels moeten oversteken om in het paradijs te komen, en die naar verluidt dunner is dan een haarstreng. Een snelle internetzoekopdracht leert dat sirât zoveel betekent als weg of pad, het metaforische levenspad dus, en dan is het verleidelijk om de film maar meteen in de categorie ‘roadmovie’ onder te brengen. Maar als Sirât een roadmovie is, dan is het een radicale herijking van het genre.
Geconditioneerd als wij westerlingen zijn door de joods-christelijke traditie, eeuwen narratieve geplogenheden en meer dan honderd jaar films uit de Hollywood-droomfabriek verwachten we bij een roadmovie een schat aan het eind van de regenboog, een openbaring, een zedenles of boodschap. Niet zo in Sirât, dat zich in dit opzicht nauwer verwant toont met andere zingevingssystemen: de leegte in het hart van het taoïsme, het onbenoembare wezen van de dingen in het zenboeddhisme, de onvoorwaardelijke overgave aan het noodlot in de islam.
Sirât stuurt je zonder zekerheden weer de wijde wereld in. Het is een film als een trip, een aaneenschakeling van beelden die een roes veroorzaakt, maar dan een roes die je niet zonder meer als ‘aangenaam’ kunt omschrijven, daarvoor laat hij de comfortzone van de gemiddelde bioscoopganger te ver achter zich. De zintuiglijke, audiovisuele ervaring laat zich niet in woorden vertalen, valt niet te reduceren tot een verhaaltje met moraal, laat zich niet samenvatten of reproduceren in een ander medium. Aan het eind van de rit hebben de personages niets geleerd, ze zijn niet wijzer geworden, hebben geen ‘verlichting’ (die obsessie van de zinzoekende mens) gevonden. Ze hebben het alleen overleefd. Want zoals de Nederlandse dichter Rutger Kopland schreef: wie wat vindt, heeft slecht gezocht.
REGIE Óliver Laxe
SCENARIO Óliver Laxe, Santiago Fillol
FOTOGRAFIE Mauro Herce Mira
MONTAGE Cristóbal Fernández
MUZIEK Kangding Ray
MET Sergi López, Bruno Núñez, Stefania Gadda
PRODUCTIELAND Spanje, Frankrijk
JAARTAL 2025
LENGTE 115 min.
DISTRIBUTIE Cinéart
RELEASE 10 september (België), Nederlandse releasedatum te bepalen
Altijd hachelijk als een cineast zijn jeugdidool verfilmt. Met Queer, een bedwelmende reis naar het heart of darkness van een cultfiguur, brengt Luca Guadagnino hulde aan William Burroughs. Maar in de jungle raakt hij het spoor bijster.
Filmfestivals zoals MOOOV bieden niet alleen de mogelijkheid om veel films in korte tijd op het grote scherm te zien, ze dwingen bezoekers ook om tussen vertoningen langer stil te staan bij deze films. Precies die momenten van ‘verloren tijd’ leiden echter tot de meest waardevolle reflecties.
Met Cry Macho maakt Clint Eastwood een eenvoudige en met momenten ontroerende ode aan leven in het heden. In wat misschien wel zijn laatste film wordt, gaat hij het gesprek aan met een oeuvre dat vijftig jaar en meer dan veertig films omhelst.
Op 3 februari ontvangt Lucrecia Martel een eredoctoraat aan KU Leuven. Een terugblik op haar oeuvre toont haar als cineaste van een land dat dreigt weg te zinken in de eigen trauma’s.
De recente restauratie van Toute une nuit is voor nieuwe Brusselaar Michaël Van Remoortere een gelofte om de stad die Chantal Akerman in een enkele nacht bezingt te verdedigen door haar lief te hebben zoals zij is in al haar prachtige en gemankeerde overdaad.
De films van Jonás Trueba groeien mee met de stad Madrid, zoals die stad ook meegroeit met haar bewoners en bezoekers. Steeds opnieuw blazen herinneringen dat alles weer leven in.